Allemaal een Nobelprijs

`April is the cruelest month', dichtte T.S. Elliot, ondanks ontluikende bloesems en dartelende lammetjes. Onder historici heeft augustus een slechte reputatie, want deze zogenaamde komkommertijd zag alleen al de aanloop naar twee wereldoorlogen en de atoombommen op Japan. Voor Amerikaanse politici is het de verkiezingsmaand november die wikt en beschikt.

Maar onder wetenschappers is oktober de wreedste maand. Want, kijk maar op de kalender, het jachtseizoen op de Nobelprijs is weer geopend. Deze maand zullen enkele uitverkorenen het felbegeerde telefoontje uit Stockholm krijgen. Een aantal anderen zal teleurgesteld naar het toestel blijven staren dat maar niet wil overgaan. Die moeten we die dag maar even niet storen.

Er zijn ondertussen veel wetenschappelijke prijzen bijgekomen, allemaal met een flinke som geld: Crafoord, Wolf, Kyoto, Shaw, Abel, Gruber, Kavli. U kent ze wel. Nee, dus. En dat is het punt. De reputatie en merknaam van de Nobelprijs zijn nog steeds onovertroffen. Hij verheft de winnaars tot onsterfelijke roem. Zelfs de allergrootste geldprijs, de anderhalf miljoen dollar van de Templeton-prijs voor `onderzoek of ontdekkingen van spirituele realiteiten', komt niet in de buurt van het exclusieve prestige van wat onder laureaten gewoon `De Prijs' wordt genoemd.

Maar is de Nobelprijs nog wel van deze tijd? Deze gedachte kwam bij me op toen ik een paar weken geleden in een prettig nazomerzonnetje door het prachtige landschap buiten Genève reed in de auto van de wetenschappelijk directeur van het deeltjeslaboratorium CERN. Zo'n honderd meter onder ons liep de 27 kilometer lange ringvormige tunnel, waarin de allernieuwste versneller wordt gebouwd: de Large Hadron Collider of LHC. Met de auto deden we er een uurtje over om rond de ring te rijden; de deeltjes die vanaf 2007 gaan rondsnellen, doen het in een tienduizendste seconde.

Een bezoek aan een van de vier detectoren waar de brokstukken van de botsingen zullen worden ontleed, is zonder meer indrukwekkend. In een reusachtige grot aan het einde van de diepe mijnschacht word je geconfronteerd met een waarlijk technologisch monster, tien verdiepingen hoog, volgepropt met de meest geavanceerde elektronica. Mijn eerste associatie was met een schip, gestrand onder de grond. Een schip, zoals ik in mijn jeugd vaak in de scheepswerven in ons dorp in het droogdok had zien liggen. Dat bleek een verrassend goede eerste indruk, want een van de reusachtige magneten in de detector was door diezelfde werf in Slikkerveer gemaakt.

Die detectoren zijn gigantische internationale legpuzzels. De puzzelstukjes worden vanuit de hele wereld naar Genève gestuurd. Veel van de belangrijke magneten komen uit Nederland. Gespecialiseerde kristallen worden gemaakt in voormalige militaire laboratoria in Rusland, die in Sovjettijden nog aan chemische wapens werkten. Het hele apparaat wordt afgekoeld tot zo'n twee graden boven het absolute nulpunt, aanzienlijk kouder dan de interstellaire ruimte. Een labyrint van buizen geleidt de verschillende gassen en vloeistoffen die het monster voeden. Deze koperen slangenkuilen worden met grote expertise aan elkaar gelast door Poolse loodgieters. Dezelfde loodgieters die in Frankrijk de meningsvorming over de Europese grondwet zo wisten te beïnvloeden. Maar, anders dan het vakantiehuis van Frits Bolkestein, laat CERN zien dat Europese samenwerking wél kan werken.

Lezers van technothrillers worden enthousiast van de gedachte dat het DNA van een dinosauriër, die honderd miljoen jaar geleden is uitgestorven, weer tot leven kan worden gewekt. Maar dat is helemaal niets vergeleken met de deeltjes die in de LHC zullen worden gemaakt. Die hebben we sinds kort na de oerknal niet meer in het heelal gezien.

De stroom aan informatie die dit experiment zal gaan opleveren, is overweldigend: iedere seconde een complete Hollywoodfilm of een vrachtwagen vol papier. In een jaar moet evenveel informatie worden opgeslagen als in alle universiteitsbibliotheken ter wereld te vinden is.

De LHC-versneller is grensverleggend, werkelijk in iedere betekenis: Hij is de grootste opstelling, produceert de hoogste energie, meet de kleinste afstanden met de grootste nauwkeurigheid, genereert de meeste data, brengt de meeste wetenschappers samen. Hoe is zoiets mogelijk? Er is maar één simpele reden. Iedereen, maar dan ook iedereen, van de directeur tot de loodgieter, heeft de ambitie en het plezier om de eigen professionele grenzen te willen verleggen.In het experiment in CERN werken zo'n tienduizend wetenschappers uit meer dan vijftig landen samen. Het is niet ongebruikelijk om tweeduizend auteurs op de titelpagina van een enkel artikel te vinden. Dergelijke grootschalige verbanden zijn niet zeldzaam in de moderne wetenschap. De ontcijfering van het menselijke genoom kende meer dan 200 auteurs. Aan de satelliet die onlangs zulke spectaculaire beelden van de restanten van de oerknal heeft laten zien, werken tientallen fysici. Wetenschappelijke successen hebben tegenwoordig vele vaders en moeders.

Wat gaat het Nobelcomité hiermee doen? Het is een gouden regel dat niet meer dan drie personen de prijs kunnen delen. Doe je een briljante ontdekking met z'n vieren? Pech gehad. Dan moet je gewoon net zolang wachten tot er een is afgevallen, of de ontdekking komt door deze administratieve willekeur simpelweg nooit aan bod. Ruim baan dus voor het koekoeksjong dat zijn collega's het nest uit weet te werken.

Ik voorspel dat dit een steeds groter praktisch probleem zal gaan worden. Toen de Nobelprijs in 1900 werd ingesteld, waren er in de hele wereld maar duizend fysici, en dan tel ik echt iedereen en alles mee. Alleen aan zo'n grote detector in CERN werken al twee keer zoveel natuurkundigen.

Vaak zijn grote prijzen ingesteld door zakenmensen die in hun eentje een imperium hebben weten op te bouwen. Die ervaring herkennen ze in de wetenschappers die ze willen eren. Briljante individuen, die tegen de stroom in zwemmen en ondanks alle tegenwerking, puur door wilskracht gedreven, een grote ontdekking doen. Een soort kopieën van henzelf.

Maar dit is maar de helft van het verhaal. Wetenschap is ook een sociaal verschijnsel, ook al hebben sommige wetenschappers moeite dat te erkennen. Het huidige prijzenstelsel met de bijbehorende verering van het individu veronachtzaamt dit collectieve aspect.

Dus hier is mijn voorstel. Nederland gaat een nieuwe prestigieuze prijs instellen. Deze kan door iedereen gewonnen kan worden. Door een enkel genie, of door tweeduizend genieën. Dat werkt prima voor de Nobelprijs voor de Vrede, die zowel is toegekend aan Nelson Mandela als aan Artsen zonder Grenzen. (Toegegeven, ook aan Henry Kissinger en Yasser Arafat, maar u begrijpt mijn punt.) Waarom kan zoiets niet in de wetenschap? Deze nieuwe prijs zal de beste wetenschap in de schijnwerpers zetten, in plaats van de beste wetenschapper. En als we geen zakenman hiertoe bereid vinden, dan doen we het, helemaal in de geest van de prijs, met z'n allen. Voor een paar euro per Nederlander hebben we onze eigen Polderprijs.

De wetenschappelijk directeur van CERN, een eervolle en verantwoordelijke positie, is op dit moment mijn Amsterdamse collega Jos Engelen. Als hij over een paar jaar deze nieuwe prijs in ontvangst zal nemen voor al die fantastische nieuwe fysica die zijn laboratorium nog moet gaan ontdekken, dan zal ik met veel plaatsvervangende trots in de zaal zitten klappen. Maar ik zal nog trotser zijn, als die Poolse loodgieter naast hem op het podium staat.