Wim Kan en de anderen

De gerenommeerde Szymon Goldberg was solist in het vioolconcert van Beethoven. Hij werd begeleid door een piano waarvan negentien toetsen ontbraken, en die tevens als slagwerk diende. Een harmonium, een paar violen en een alt vervingen het strijkorkest en de houtblazers. Het haar voor de strijkstokken was afkomstig van een paard dat bij de voedseltransporten ingeschakeld was. De ongeschoolde violisten hadden niet eens een strijkstok; zij moesten pizzicato spelen. En zelf drukte Goldberg hard op de gitaarsnaren van zijn viool om er nog enig geluid uit te krijgen. Maar het publiek was diep ontroerd. `Ik vond het prachtig', schreef een aanwezige, `en elke noot deed mij verder weg van dit gevangenkamp zweven.'

Hoe benarder de omstandigheden zijn, des te meer indruk maken de concerten en voorstellingen die dan worden gegeven – al was het maar vanwege de tijdelijke uitweg die ze bieden. Over de muziek en het amusement in de concentratiekampen tijdens de Tweede Wereldoorlog is al heel wat geschreven, maar nog niet over soortgelijke activiteiten in de Japanse kampen in toenmalig Nederlands-Indië. Alleen van Wim Kan weten we dat hij optrad voor zijn medegevangenen aan de Birma-lijn, en daartoe zelfs werd vrijgesteld van al te zware arbeid. Maar wat er verder werd gespeeld en gezongen, was nog niet eerder geïnventariseerd.

Nadet Somers en Frans Schreuder beschrijven in Gestrand in Indië vooral de drukke concertpraktijk van pianiste Lili Krauss en violist Szymon Goldberg, en het cabaret van Wim Kan en Corry Vonk. Met veel oog voor veelzeggende details, bij elkaar gesprokkeld uit veel verschillende bronnen, vertellen ze hoe het er in de kampen aan toe ging: de onvoorspelbaarheid van de Japanners die soms wel toestemming voor een voorstelling gaven en soms niet, de schaarste aan alles, en de vele gevoeligheden waarmee rekening moest worden gehouden. Veel teksten uit die tijd staan er niet in, maar wat er wordt geciteerd, is genoeg om te zien hoe voorzichtig de artiesten manoeuvreerden. Kritiek op de bezetters was er vanzelfsprekend niet bij; het bleef bij milde spot op het kampleven. Hoewel ook de onschuldigste herinnering aan iets uit het vooroorlogse Nederland vaak al een demonstratief effect had.

Indirect is dit boekje trouwens ook een eerherstel voor Corry Vonk. Tot dusver ging het altijd over het belang van Wim Kan, waarover luitenant-kolonel P.G. Mantel in 1946 schreef: `De morele waarde van het werk van Kan is zeer groot geweest.' Of over de afgunst die zijn geprivilegieerde positie aan de spoorlijn bij enkele andere ex-gevangenen heeft gewekt. Kan was nu eenmaal, ook in de rest van zijn leven, een bangelijke man. Maar nu er voor het eerst ook uitgebreid over Corry Vonk is geschreven, wordt duidelijk dat zij een heel andere rol heeft gespeeld. Ze had branie, zeggen allerlei ooggetuigen. Ze durfde op te staan tegen de bewakers, hielp iedereen die hulp nodig had en organiseerde in gevangenschap 298 voorstellingen voor volwassenen en 61 voor kinderen. Dat zijn er meer dan de 148, die Wim Kan speelde.

Gestrand in Indië raakt, hoe beknopt ook, aan veel aspecten en onvermoede complicaties. Zoals het feit dat Krauss en Goldberg voor de oorlog al furore hadden gemaakt in Japan – en daarom door sommigen `Nipponwerkers' werden genoemd. In elk geval waren ze er al aan gewend dat men een Japanner begroette door te buigen, een ritueel dat door de andere westerlingen als vernederend werd beschouwd. Dat maakte het duo voor sommigen een beetje verdacht.

Tenslotte gaat het boekje ook nog even over de verwarde tijd die direct na de Japanse capitulatie aanbrak. Uit een Thomasvaer & Pieternel-tekst van eind 1945 blijkt dat het kolonialisme toen voor de meeste Nederlanders nog iets vanzelfsprekends was. Honend spraken de beide toneelfiguren zich daarin uit over `troepen lugubere extremisten die elkaar ons gezag en bezit betwisten.'

Nadet Somers en Frans Schreuder: Gestrand in Indië. Muziek en cabaret in gevangenschap. Walburg Pers, 160 blz. €14,50

    • Henk van Gelder