Vrolijk zijn, tot bloedens toe

Bij een of andere schrijfcursus werd Astrid Lampe een keer aangekondigd als `docente abstracte poëzie'. Dat is natuurlijk een leuk grapje, want abstracte poëzie bestaat helemaal niet. Een schilder kan besluiten abstract te werken. Dat betekent dat hij afziet van figuratieve elementen, dat zijn ambitie niet is gelegen in een herkenbare weergave van de zichtbare werkelijkheid en dat zijn schilderijen begrepen moeten worden als pure vorm, compositie, kleur en toets zonder dat zij betekenis ontlenen aan een wereld die buiten het schilderij is gelegen.

Een abstract schilderij abstraheert van betekenis in zoverre het geen verbeelding is van iets anders. Maar waarvan zou een abstract gedicht moeten abstraheren? Het poëtische equivalent van een abstract schilderij zou een gedicht zijn dat afziet van verwijzingen naar een buitentalige werkelijkheid en niets anders wil zijn dan pure taal. Maar dat is het probleem. Een klodder gele verf heeft het in zich om af te zien van betekenis omdat hij pas iets betekent als de schilder hem uitsmeert in de vorm van een kikker, cactus, staafmixer, naakte vrouw, of wat dan ook, maar een woord betekent helemaal vanzelf iets. Woorden verwijzen altijd naar een buitentalige werkelijkheid, daar zijn het woorden voor. Poëzie kan alleen abstract zijn, wanneer zij geen woorden gebruikt. Daarmee heft zij zichzelf op, tenzij zij ervoor kiest uit niets te bestaan dan betekenisloze klanken zoals `oote oote boe' of `shoobidoobidoo yeah yeah'.

Hoewel sommigen terecht beweren dat taalmuziek, klank en ritme het hart vormen van elk type poëzie, is dergelijke `poésie pure' weinig meer dan een curiosum in onze westerse poëzietraditie. Poëzie wil taal zijn en betekenisloosheid is geen taal.

Astrid Lampe schrijft geen abstracte poëzie. Toch kun je je voorstellen dat een melige organisator van een schrijfcursus die term op haar van toepassing heeft geacht. Haar poëzie heeft wel degelijk betekenis, ook in de zin dat zij wel degelijk heftig verwijst naar een buitentalige werkelijkheid, maar Lampe vraagt vaak zoveel inspanning van haar lezers om deze verwijzingen te decoderen, dat haar poëzie voor een luie lezer algauw dicht in de buurt komt van betekenisloosheid:

rituele modder leest de buiknaad en de

scharnierende delen van de beer

.onnut plaid .kris .kras .voedsellijn:

leg uit!

steek je los meis je loos schrok je rokken op

van een trotse verlatenheid vierkant

lopen laten

kijk ut vlees klaar

zoom zoom

mooi kuiltje voer de jus o

ó haar handen

(nu haar glimlach zacht is)

het soldaatje van de vlakte zich tinnen kleren

waant

Waar deze poëzie van abstraheert, is opzichtige samenhang. De verzen en woorden huppelen hak-op-de-takkerig vrolijk buitelend over elkaar heen zonder zich al te zeer om elkaar te bekommeren. Het is poëzie die een beetje lijkt op gedichten van Paul van Ostaijen die zijn opgetrokken uit slogans en neonreclames of op Berlin Alexanderplatz, waar de stad zelf in al zijn onsamenhangende overdonderende opdringerigheid de hoofdrol speelt. Elke geïsoleerde kreet of flard van een gesprek, gedachte of liedje is helder, maar net als in de echte wereld is het de kunst om te ontdekken wat alles in hemelsnaam met elkaar te maken heeft.

Het gedicht komt uit Spuit je ralkleur, de vierde bundel van Astrid Lampe. Al haar vorige bundels werden genomineerd, haar debuut Rib (1997) voor de Buddingh'-prijs en De sok weer aan (2000) en De memen van Lara (2002) voor de VSB Poëzieprijs. Het zou mij niets verbazen als zij met deze vierde bundel nog hogere ogen gooit. Ze zou het verdienen. In Spuit je ralkleur is Lampe meer dan ooit tevoren onnavolgbaar zichzelf. Dit is Lampe op haar eigenzinnigst, pure hard-core huppelpoëzie. De gedichten zijn gemiddeld langer dan in haar vorige bundels en meer dan ooit krijgt de lezer het idee dat de bundel als geheel een eenheid vormt. Achter alle fragmentatie loert een vermoeden van een verhaal, zonder dat het onmiddellijk lukt dit vermoeden te reduceren tot een parafraseerbaar scenario. We gaan op reis `in mijn portocab' met iemand die `capt'n' wordt genoemd of `mun kap'teintje'. Er is een `dirndl' die een paar keer terugkomt, terwijl er in andere gedichten wordt gejodeld op alpenweitjes. Herhaaldelijk komen we in de modder terecht of stuiten we op tapijtlijm, terwijl in de hele bundel vogeltjes twieten ('ik? / nee jij! / vuil prieelvogeltje') en poppen, poppedeinen of poppetjes opduiken (`barbie barbie met je knuistje Ken Ken') en moppen worden getapt (`-Káppen mop!'). Tegen het einde beleven we een avontuur in Puerto Rico, compleet met wapenhandel en kalasjnikovs. Hoe langer je ronddwaalt in dit verwarrende universum van fragmenten en flarden, hoe meer echo's, omkeringen en samenhang je ontdekt. Dat is de lol van deze poëzie. Dat maakt deze gedichten zo spannend. Het vergt een actieve manier van lezen en de bereidheid de gedichten zelf af te maken en in te kleuren, maar het is een manier van lezen die steeds meer loont naarmate hij langer wordt volgehouden.

En abstract is het allemaal geenszins. Integendeel. Het is angstaanjagend concreet en oer-lichamelijk: `schenk dat vervloekt konijn wat liefde kutje', `mijn man een blanke bosneger bedoelt ze / zal ze bedoele / gezicht vol tattoos en een pak // mooi mooi pak ja pakt me'. Vaak is het grappig: `wil je amerika nog zien stampertje? / nee!', `alleen mensen die bij de fabriek werken mogen dat vuurwerk gratis mee', `gloednieuwe inlegzooltjes voor de begrafenis'. Soms is het op een oprechte, tegendraadse, weifelende manier lief tegen wil en dank: `(...heilig móéten ja) / liefste liefste / (niet verslappen nu) / schele schat, jij staat met a- // harde breek', `adem je mijn lief / (plas heet erbij) wel gewoon goed door'. Wanneer je langer luistert naar de stem die giechelt, schmiert en stamelt in deze gedichten, hoor je steeds beter dat er vertwijfeling doorklinkt in de dappere manier waarop gepoogd wordt overal het lachwekkende van in te zien. De stem krijgt nauwelijks de gelegenheid uit te praten. Zelfs midden in een woord wordt hij onderbroken met iets dat datgene wat hij nog niet eens had gezegd, relativeert, ontkracht of belachelijk maakt. Maar hij blijft het proberen. Hij blijft trachten te spreken over een wereld die onder zijn ogen verbrokkelt. `van die woordjes! // van die woordjes die weer woordjes wegmaken / (jaja) // zal ik jou eens'.

Deze gedichten proberen je voortdurend te beletten alles serieus te nemen, maar juist in hun angstvallige weigering serieus genomen te worden beschrijven ze het angstvallige vermoeden dat alle belachelijke chaos die ons dagelijks omringt, nog serieus genomen moet worden ook. Deze gedichten maken zich vrolijk, tot bloedens toe. Ze laten de wereld zien in al zijn lachwekkende leegheid en pijnlijkheid. Ze zijn alles behalve abstract. Ze zijn echt.

Astrid Lampe: Spuit je ralkleur. Querido, 62 blz. €20,95