VAN DE LEZER

`Op vakantie lees ik uw boeken altijd het eerst', zoiets zei de koningin tegen Hella Haasse, en volgens Pieter Steinz zullen weinig complimenten haar zo lief geweest zijn als dat. Zou het? En waarom dan, omdat het de koningin is, of vanwege de inhoud van het compliment? Volgens mij schreef Haasse, zeker in deze periode, niet echt typische vakantieboeken maar ik kan het niet helemaal weten want ik heb niet zo heel veel van haar gelezen. Daarmee kwalificeer ik me waarschijnlijk wel als de `moderne lezer' die niet `vroeg al heeft kennisgemaakt met de speciale Haasse-manier van vertellen'. Steinz vraagt zich af wat voor indruk De tuinen van Bomarzo op zo'n lezer maakt: gek genoeg deed het me sterk denken aan een van de weinige andere boeken die ik van haar las: De meester van de neerdaling.

Een vrij atypisch boek, maar ik vond (en vind) het wel erg goed. Het bestaat uit twee verhalen die niets met elkaar te maken lijken te hebben, maar om elkaar heen cirkelen op indirecte en labyrintische wijze, zo ongeveer als De tuinen. Waarom heeft dat boek het nu gered, en De meester van de neerdaling niet, terwijl dat toch – het is bijna horror – toegankelijker lijkt te zijn? Misschien is dat het wel: dat de typische Haasse-manier van vertellen zich slecht laat verenigen met een rechttoe-rechtaan spannend verhaal als dat (of die) in De meester van de neerdaling. Die manier is zoekend, indirect, schijnbaar naïef, een beetje zoals Engelse inspecteurs in die heerlijk slome tv-series rondlopen. Detectives, inderdaad, dat compliment van Beatrix was nog niet zo gek.

B. Mourits

Arnold Heumakers zegt in zijn reactie op Leezenberg en het engagement van Du Perron dat wij diens niet partijgebonden betrokkenheid kwijt zijn. Maar de uitslag van het referendum over de Europese grondwet die dwars door alle politieke partijen heenging is een bewijs van het tegendeel: niet de partij-ideologie, maar een nog niet nader gedefinieerd protest leeft in Nederland.

G.J. Kleinrensink

Je kunt natuurlijk niet van een roman eisen dat hij op de ontwikkelingen van zeventig jaar later vooruitloopt; maar zelfs voor zijn eigen tijd was Du Perrons zelfbewuste dilettantisme niet boven alle twijfel verheven. Er valt te twisten over de vraag of het Bildungsbürgertum dat hij en Ter Braak uitdroegen, voldoende tegenwicht bood tegen de opkomst van het nazisme; maar in de complexere wereld van vandaag is het een nog meer achterhaald en nog minder aantrekkelijk ideaal. Bovendien vertoont Du Perrons onafhankelijke individu problematische sporen van klasse en kolonialisme. Het zou goedkoop zijn om hem dat te verwijten, temeer omdat hijzelf er zo kritisch over schrijf. Maar het postkoloniale, provinciaalse Nederland van nu is een ander land dan het koloniale, bijna imperiale Nederland van Du Perron. Het land van herkomst méér dan een tijdsdocument? Ikzelf geloof minder dan Heumakers in de actualiteit van Du Perrons vragen en in de tijdloosheid van zijn antwoorden.

Michiel Leezenberg