Te goede ambtenaren in Nederland

De fiscus die ons voorhoudt dat deze dienst het niet leuker maar wel makkelijker kan maken, heeft nog een lange weg te gaan. Nergens in de ontwikkelde wereld is een ondernemer zo veel tijd kwijt aan zijn belastingverplichtingen als in Nederland. Zelfs zeven keer zo veel als een Duitser, zo blijkt uit onderzoek van de Wereldbank. Wat zit daar achter? Te ingewikkelde belastingen of te goede ambtenaren?

De Wereldbank heeft deze maand een top-25 gepresenteerd van landen waar het goed is om zaken te doen. Nieuw-Zeeland staat op de eerste plaats. Alle Scandinavische landen hebben een topnotering, vooral omdat ze onbureaucratisch zijn. Nederland neemt de 24e plaats in, iets na België en Duitsland. Ons land zou flink stijgen als de fiscale en andere administratieve verplichtingen niet zo tijdrovend zouden zijn. Het kabinet werkt aan verbeteringen, met het paradoxale effect dat een ondernemer op de korte termijn zelfs nog meer tijd kwijt is. Het zuur komt voor het zoet, zo maakt het onderzoek duidelijk.

De Wereldbank heeft de fiscale rompslomp gemeten aan de hand van een gefingeerd bedrijf: een pottenbakkerij met vijf aandeelhouders en 60 werknemers. Het werkt winstgevend voor de lokale markt vanuit een eigen bedrijfspand. Die gegevens zijn voor alle 155 onderzochte landen hetzelfde. Lonen en omzet zijn aan het nationaal inkomen gerelateerd. Deze modelpottenbakker moet in Nederland jaarlijks 22 aangiften bij de fiscus indienen. Dat is tamelijk veel, maar binnen Europa niet echt uitzonderlijk. Iets meer dan de helft van de winst verdwijnt naar de fiscus; ook dat is niet veel meer dan het Europese gemiddelde. Er is evenwel één punt waar Nederland zijn gelijke in de ontwikkelde wereld niet kent: het aantal uren waarvoor deze pottenbakker dure adviseurs moet inhuren om aan zijn fiscale verplichtingen te voldoen. In Duitsland gaat het om 100 uren, de helft van het Europese gemiddelde van 200 uren. Maar Nederland spant de kroon met 700 uren. Italië komt met 360 uren nog het dichtst in onze buurt. Wat bezielt de fiscus om zo'n exorbitante inspanning van ons bedrijfsleven te eisen?

Jan Carel van Dorp, die het Nederlandse deel van het onderzoek voor zijn rekening heeft genomen, wijst op twee factoren. In de eerste plaats de typisch Nederlandse gewoonte om bedrijven te verplichten naast de al door de accountant opgemaakte commerciële balans, ook te vragen om een fiscale balans. Die wordt vaak door de belastingadviseur opgesteld. In de meeste andere landen kan een bedrijf zijn belastingaangifte doen aan de hand van de commerciële jaarstukken; dat gaat veel sneller. Hier ligt een kans voor staatssecretaris van Financiën Joop Wijn om ondernemers te helpen. Alleen al zo'n simpele pottenbakker kan hij makkelijk meer dan 50.000 euro aan advieskosten besparen. Daarnaast wijst Van Dorp (belastingadviseur bij het Amsterdamse kantoor van PricewaterhouseCoopers) op de rompslomp die in onderzoeksjaar 2004 samenhing met de invoering van elektronische belastingaangiften en andere door Joop Wijn geïnitieerde veranderingen. Dat is dan een kwestie van even doorbijten. Zodra de elektronische communicatie wel soepel loopt, levert ze alle partijen tijdwinst op. Ook bij de Wereldbank is de hervormingsdrift van dit kabinet opgevallen. De organisatie rangschikt Nederland onder de tien meest actieve landen ter wereld als het aankomt op het doorvoeren van administratieve hervormingen, niet alleen op fiscaal terrein maar ook bij het terugschroeven van vergunningen en andere administratieve lasten. Duitsland hervormt overigens nog enthousiaster. Het oogt onlogisch dat juist landen waar het bedrijfsleven steen en been klaagt over de starre regels, zo hoog met veranderingen scoren. Bij nader inzien klopt het dat juist die landen een flinke inhaalslag met hun hervormingen moeten maken. Het kabinet denkt de grote winst met het terugdringen van de administratieve lasten in de komende twee jaar te behalen. Maar eerst krijgt het bedrijfsleven nog enkele grote veranderingsoperaties voor zijn kiezen.

Net als bij de belastingaangifte ligt het pijnpunt bij de administratieve lasten niet eens in de hoeveelheid vergunningen die een ondernemer nodig heeft. In beide gevallen ligt het aantal regels iets boven het gemiddelde van de economisch ontwikkelde landen (OESO-landen). Het zijn de bijkomende kosten die het grote verschil maken. Een ondernemer is in Nederland meer dan tien keer zo veel tijd kwijt voordat hij een vergunning in de bus heeft dan gemiddeld in de OESO. De daaruit voortvloeiende kosten zijn, afgemeten aan het inkomen per hoofd van de bevolking, het dubbele van die in België en Duitsland. Ze zijn zelfs zes keer zo hoog als in Ierland. Het is uitdagend te denken dat het verschil deels schuilt in het hoge niveau van de Nederlandse ambtenaren. Die komen altijd wel met vragen die alleen met de inzet van dure adviseurs te beantwoorden zijn. Vervolgens houden de specialisten elkaar op kosten van de ondernemer nog lang bezig.

Zo ook in het rechtsbestel. Het behoort tot het efficiëntste en beste ter wereld. Dankzij rechters, ambtenaren, advocaten en vele anderen die hun vak verstaan. Een Nederlander incasseert via de rechter een vordering in minder dan de helft van de tijd die een Belg er voor moet uittrekken. Hij is wel bijna drie keer zo veel geld kwijt voordat hij zijn gelijk heeft gehaald. Als het zo ver komt, is de ondernemer misschien al failliet door de nota's van zijn dienstverleners. Hij heeft dan een schrale troost. Bijna geen land ter wereld scoort zo hoog als Nederland bij het snel en efficiënt afwikkelen van een faillissement.

Het onderzoek is interactief te raadplegen op www.doingbusiness.org

    • Aertjan Grotenhuis