Op zoek naar het monster in de dame

Al voordat ze de tuinen van Bomarzo had gezien, wilde ze er een roman over schrijven. Deze week discussieert de Leesclub (www.nrc.nl/leesclub) over de inspiratiebronnen van Hella Haasse.

Uit de verhalen van Hella Haasse over haar jeugd rijst het beeld op van een eenzaam en onbegrepen meisje. Haar moeder moest een paar jaar kuren in Davos. Hella en haar broertje werden ondergebracht bij familie in Nederland. Uit zelfbehoud nam zij haar toevlucht tot de verbeelding. Zij verzon verhalen over eenzame, onbegrepen kinderen die door het verrichten van grootse daden uiteindelijk toch nog de waardering kregen waar ze recht op hadden.

Het werk van Haasse is, op de echte herinneringsboeken na, niet autobiografisch. Ze neemt afstand van haar dagelijkse ik door zich in heel andere, vaak historische figuren te verdiepen. Maar tegelijk probeert zij in die andere figuren zichzelf, of een wezenlijker zelf, terug te vinden. `Het masker, het decor doet niet terzake, wat ik ook schreef het ging over mezelf', noteerde zij al in Zelfportret als legkaart (1954). Een halve eeuw later zei ze in een vraaggesprek met Anthony Mertens, opgenomen in Retour Grenoble (2003): `Je moet zo diep gaan dat je het demonische in jezelf tegenkomt, en kunt herkennen.'

Naar die demonen in zichzelf lijkt zij ook op zoek te zijn geweest toen ze De tuinen van Bomarzo (1968) schreef. Vorige week werd al enigszins de kwestie opgeworpen tot welk genre dit boek behoort. Koningin Beatrix ziet er een detective in, anderen menen dat het een historische roman is, een studie in cultuurgeschiedenis, of een autobiografisch essay. Al die verschillende genres zijn wel een beetje vertegenwoordigd.

In de inleiding van De Tuinen van Bomarzo legt Haasse uit dat ze al in de jaren vijftig het plan had om over de monsters van Bomarzo een roman te schrijven, nog voor ze de huizenhoge beelden in het echt had gezien. Als hoofdpersoon stelde ze zich toen een schrijver voor, een schrijver die het plan had opgevat om een roman te schrijven over Bomarzo, zonder de beelden te hebben gezien. Een Drostecacaobusroman dus, waarin de auteur X, na allerlei verwikkelingen, uiteindelijk vooral zichzélf zou tegenkomen. `Er blijft maar één `monster' over en dat is X zelf'. Ze ziet hem als de spin in het web. Maar, merkt Haasse dan wat onthutst op: `Ik verafschuw spinnen. Wat heb ik met X te maken?'

De monsters lieten zich niet in een roman dwingen, toen niet en later niet. In Een doolhof van relaties (2002), waarin zogeheten `oerteksten' van haar hand werden opgenomen, valt na te lezen hoeveel vergeefse pogingen ze deed tot zo'n roman, ook nog jaren nadat ze De tuinen van Bomarzo had voltooid. Kennelijk vond Haasse dat ze de monsters met dat boek nog niet afdoende had behandeld.

Iedereen die het nu leest, kan zich daar wel iets bij voorstellen. Dit is stof voor ten minste een trilogie! Alleen al de episode rondom de beeldschone Giulia Farnese, die nota bene, getrouwd en wel, door haar schoonmoeder als maîtresse werd aangeboden aan paus Alexander VI, is een complete roman waard. Men wordt kortademig van wat Haasse hier in kort bestek uit haar mouw weet te schudden. Met groot gemak worden uiteenlopende volkeren, tijdperken, culturen, godsdiensten, landen en familiegeschiedenissen met elkaar samengeknoopt tot een speculatieve beschouwing over de geheimzinnige beeldentuin van Bomarzo. Het lijkt toch eerder een essay dan een historische roman of een thriller, al weet Haasse er veel rake psychologie, mooie anekdotes en spannende verhalen in te vlechten.

Waar draait het allemaal om? Eerst zijn er de raadselachtige beelden die Haasse wil duiden, omdat ze bij haar `allerlei verborgen snaren' aan het trillen brengen, in het al even raadselachtige, labyrintische park in Midden-Italië. En vervolgens gaat ze zich verdiepen in de tijd waarin het park en de beelden ontstonden en in de mensen die in die tijd leefden. Moet Pierfrancesco Orsini worden beschouwd als grondlegger van het park, zoals vrij algemeen wordt aangenomen? Of erfde hij rond 1545 een al bestaand park, met monsterbeelden en al, en hoefde hij alleen nog wat corrigerende werkzaamheden te laten verrichten om niet door de inquisitie berispt te worden?

Dat is inderdaad Haasse's hypothese. Het was in haar visie de eenogige Orsino Orsini, zelf eigenlijk ook wel een beetje een monster, die uit het tufsteen van de vallei achter zijn burcht in Bomarzo de enorme beelden liet hakken. Wat wilde deze gekwelde man, die door zijn overspelige vrouw en zijn eigen moeder in zijn hemd werd gezet en in 1494 uit Rome wegvluchtte om zich verbitterd in zijn burcht terug te trekken? Als wij Haasse mogen geloven, dan schiep hij dit grillige, asymmetrische, karikaturale park, deze `rebus in steen' om zichzelf te troosten en te vermaken en `tot verbijstering van anderen die er zich het hoofd over konden breken zonder ooit de ware zin te doorgronden' (blz. 147).

Het is niet moeilijk om in hem de schrijver X te herkennen, die Haasse zich ooit als hoofdpersoon had gewenst voor een roman over Bomarzo. Orsino doet immers denken aan een boze, ietwat demonisch aandoende spin in een zelfgeweven web. Of verschuilt zich achter de eigenaardige, cyclopische, duistere Orsino toch Haasse zelf, met haar voorliefde voor verborgen bronnen, ondoordringbare labyrinten en geheimzinnige bossen? In het echte leven schoot Orsino tekort, maar over zijn zelfgeschapen en na vijf eeuwen nog steeds niet opgehelderd labyrint was hij heer en meester.

Volgende week in de Leesclub: Arjen Fortuin over lust in `De tuinen van Bomarzo'. Discussieer mee op www.nrc.nl/leesclub.

    • Janet Luis