Mee met de bierboer

Het nieuwe boek van André Sollie is een liefdesgeschiedenis van een homoseksuele jongen aan de Belgische kust. ,,Het kan me niet schelen wat kinderen van mijn werk vinden.''

Stel je zou kinderboekenschrijver André Sollie (58) – vaal rood T-shirt, lange achterovergekamde grijze krullen – neerzetten op een bankje in een speeltuin. Best kans dat de verzamelde moeders denken dat het een man ver van huis is – type zeebonk. Vroeger had hij boven een enorme snor een kaalgeschoren hoofd – type leernicht. ,,Dat is de buitenkant'', zegt Sollie. ,,Van binnen ben ik een oud wijf.''

Zijn huis ziet er van binnen zo uit: gebloemde kussens, rose kleedjes, poppen in alle soorten en maten, theeserviesjes, lampenkapjes, mandjes met schelpen – klein en knus. Alleen de vele stapels boeken en her en der een homo-erotische ansichtkaart verraden dat hier niet een oude tante woont.

Het huis van André Sollie in een buitenwijk van Antwerpen is een burcht van geborgenheid. Zit het bezoek wel goed? Niet te koud zo? Misschien alvast wat eten? Of liever eerst een wandeling door het park? Dan, als echtgenoot Wim boodschappen gaat doen – om te voorkomen dat hij net als de oude mevrouw Lampo, vrouw van schrijver Hubert Lampo, het gesprek overneemt – begint André Sollie te vertellen en houdt de eerste uren niet meer op. Hij spreekt over zijn jeugd, zijn ouders, over liefde, over zijn debuutroman en over wat dat nou is, een kinderboekenschrijver, maar vooral over woorden en de kracht daarvan. ,,Wim zegt vaak: ik zou willen dat je praat zoals je schrijft.'' Als Sollie schrijft is hij streng, sober, verstild.

Het pas verschenen Nooit gaat dit over, een liefdesgeschiedenis van een homoseksuele jongen ergens aan de Belgische kust, is de eerste jeugdroman van Sollie. Eerder tekende hij voor kindertijdschriften en damesbladen, schreef versjes, liedjes en gedichten voor tieners, bedacht de woorden bij twee prentenboeken met illustraties van Ingrid Godon (Wachten op Matroos, Gouden Griffel 2001 en De bus naar Hawaii, 2003) en maakte vorig jaar het prentenboek Dubbel Doortje (volgens de Penseeljury een van de tien beste prentenboeken) waarvoor hij voor het eerst zowel de illustraties als de tekst maakte.

Het schrijven van Nooit gaat dit over is voor het versnipperde talent Sollie ,,een revelatie'' geweest. ,,Als ik in een woordenboek bladerde om me te vergewissen van de betekenis van een woord, dan dacht ik: dit is het liefste dat ik doe. Ik kan meer vertellen met woorden dan met beelden. Zoveel woorden – en dan de juiste kiezen. Er hebben wel vaker in boeken jongens bij elkaar op een motor gezeten, maar het gaat om de manier waarop je iets vertelt.''

Dit is de manier waarop Sollie dat vertelt:

Pim zit achterop het duozadel en gilt iets onverstaanbaars terug. Zijn armen een lasso om zijn prooi, zijn vingers gevlochten als in een vurig gebed. (...) Akkers zover je kunt zien. De sloot staat kurkdroog en hij is twee jongens breed.

In Nooit gaat dit over zitten veel ervaringen van Sollie zelf. Net als hoofdpersoon Pim verkleedde hij zichzelf vroeger als meisje. Dat had niets met genderverwarring te maken, maar alles met het verlangen naar jongens. ,,Ik heb altijd gedroomd van een prins op een wit paard. Dat is nooit begonnen, dat was er altijd. Het maakte me niet angstig of verlegen, het was iets heel gewoons. Maar omdat ik om mij heen geen toekomstbeelden zag, dacht ik op een naïeve manier dat, op een dag, ik wel zou muteren in een meisje zodat het mogelijk zou zijn om jongens te begeren en door jongens begeerd te worden. Dat was wel iets zorgelijks voor mij, dat muteren. Wat zou er dan gebeuren? Het was een hele opluchting toen ik ontdekte dat er geen goocheltrucs of toverstafjes aan te pas hoefden te komen: de jongensliefde bestond!''

De mannenliefde is voor Sollie overigens nog altijd zo'n vanzelfsprekend gegeven dat hij – hand op zijn hart – bij het schrijven van Wachten op matroos, over een vuurtorenwachter die met zijn vriend matroos een wereldreis wil maken, geen moment heeft vermoed dat het boek in Engeland opschudding zou veroorzaken omdat het te nadrukkelijk over de homoliefde zou gaan (met de vuurtoren als fallussymbool). Het idee voor het verhaal was bovendien van illustratrice Ingrid Godon. ,,Zij is gek van matrozen en verzamelt vuurtorens.'' In Engeland gaf de uitgever het boek de titel Hello sailor mee – ,,toch gewoon straathoektaal voor prostituee'' – en presenteerde het prentenboek als een middel om het thema homoseksualiteit bespreekbaar te maken. ,,Ik heb vaak gedacht, arme arme Engelse homofielen die met het boek onder de arm huiswaarts zijn gewandeld om te ontdekken dat er niets te beleven viel, geen blote bovenarm, niks.''

Belga's en frituur

De wereld in Nooit gaat dit over baadt, zoals Sollie het zelf zegt, ,,in artificieel licht''. De bladzijden ruiken naar bier, Belga's en frituur; ze zijn verlicht door jukeboxen, draaimolens en de flikkering van zilveren bekers gewonnen bij het wielrennen. Het is het kunstmatige licht van Sollies eigen jeugd. Hij is geboren in een achterafstraatje in Mechelen. ,,Nog altijd heb ik een groot verlangen naar tavernes in buitenbuurten. Ik voel me aangesproken door die gemoedelijke gewonigheid. Betonnen schuttingen, wasdraad met was, gebloemd zeil op tafel, kopjes zonder schoteltjes – klein Vlaanderen. In zo'n omgeving, in een entourage waar geen verwachtingen zijn, valt alle ballast van me af. En de emoties zijn er groot, nog niet afgeblokt door omgangsvormen. Iets is al gezegd voordat er over na is gedacht.''

Dit boek wilde hij al heel lang schrijven, zegt Sollie. Hij had geen plot, geen personages, geen begin en geen eind, maar wist wel dat het over een jongen moest gaan die naar vrijheid snakt, over de dualiteit tussen geborgenheid en vrijheidsdrang. ,,Weg. Mee met het circus de wereld rond. Mee met de bierboer. Dat verlangen had ik werkelijk als kind. Dan zat ik op een zonnige zomerdag in de klas, terwijl de alledaagse geluiden binnendrongen, paardenhoeven, gerinkel van kratten, dan wilde ik het liefst mee op die hoge bok.''

Er waren veel versies van Nooit gaat dit over. ,,Ik heb de jongens nog naar Palermo laten gaan, een kreeg er een kind en er was ook nog sprake van een Chinese schoonmoeder. Maar mijn redacteur heeft mij duidelijk gemaakt dat je niet al te veel kronkels moet maken en het liefst de gedachten van één persoon moet volgen. Dat had ik echt niet door. Een goede redacteur, dat is wat hoor.''

Sollie is niet opgegroeid met kinderboeken. Hij was een dromer. Altijd bezig met zingen, dansen, tekenen en toneel of in de weer met doeken en spelden en zichzelf als paspop. Maar lezen deed hij niet. ,,We hadden thuis een plankje in de wandmeubel met in leer gebonden ruggetjes. Het heeft echt een poosje geduurd voordat ik ontdekte dat die aan de achterkant open konden.'' Wel zat hij met zijn ouders op zaterdagmiddag op de sofa klaar voor de televisie-serie Ja Zuster Nee Zuster. ,,Ik herinner me alles in kleur.'' Later raakte hij in vervoering van Jasperina de Jong. ,,Dat het Nederlands zo mooi was, dat het zo goed gezongen kon worden – het was voor mij de ontdekking van de kracht en de schoonheid van het Nederlands.''

Toeval

Maar omdat tekenen volgens zijn ouders nog het minst onbetrouwbare talent van André was, leek het hun het beste als hij een grafische opleiding aan het St. Lukas in Brussel ging volgen. Hij ging later ,,per toeval'' voor een jong publiek illustreren en raakte als vanzelf ,,ondergedompeld'' in de kinderboekenwereld. Maar Sollie denkt nooit aan kinderen als hij schrijft of tekent. ,,Het kan me eigenlijk niet schelen wat kinderen van mijn werk vinden'', zegt hij – en slaat meteen een hand voor zijn mond, geschrokken van zijn eigen opmerking.

Maar waarom dan toch boeken voor kleuters, tieners en nu ook jongvolwassenen? ,,Ik zal maar niet zeggen, net als Annie (M.G. Schmidt, MS), dat ik altijd acht ben gebleven, maar toch – het klinkt pathetisch, er is wel altijd een kinderlijke verwondering blijven bestaan.''

`Nog even over mijn belangstelling voor poppen', zal Sollie enkele dagen later in een e-mail schrijven, `eigenlijk is die wel echt en eerlijk, hoor'. De vraag was geweest of de poppenverzameling in zijn huis een vorm van camp was. `Het hoort vast bij dat verlangen terug te keren in de tijd, en misschien heeft het ook gewoon met begrippen als `veilig' en `onschuld' te maken. De campfactor is dan een welkom alibi.'

Een schrijver die zo nadrukkelijk het verleden koestert, die schrijft misschien welhaast vanzelf kinder- en jeugdboeken. ,,Weet je wat mijn droom is?'' zegt Sollie. ,,Ik heb een bijna natte droom dat het prentenboek uiteindelijk wordt gezien als een artistiek product, een vorm om zo mooi mogelijk een boodschap of idee over te brengen die ook van waarde is voor volwassenen. Ik zie volwassenen ook steeds vaker naar prentenboeken grijpen. Zelf koop ik me arm.'' Af en toe, in Frankrijk bijvoorbeeld, ziet hij wel eens zo'n gedroomd prentenboek. Het ziet er er vaak eenvoudig uit: weinig tekst, grote vormen, lege vlakken, de lezer moet zelf ook een stap zetten. Dat het lezen van een prentenboek een creatieve ervaring is, dat zou Sollie willen. Misschien, zegt hij, werkt hij zelf nu wel aan zo'n boek. Dromerige, abstracte gouaches moeten het worden. De tekst zal gaan over teleurstellingen in het leven die bij nader inzien wel meevallen. ,,Voor wie het bedoeld is? Ik heb werkelijk geen idee.''

`Nooit gaat dit over' is verschenen bij uitg. Querido, €12,50

    • Monique Snoeijen