Mannen bestaan niet

DEN HAAG/PEKING/FUZHOU. Aangezien het Chinese consulaat in New York mij geen visum wilde geven – eerst was de geldigheidsduur van mijn paspoort een probleem, vervolgens waren er geen lege bladzijden meer in het paspoort, hoewel ik zelf nog iets leegs ontwaarde – reisde ik via Den Haag naar Peking. In Den Haag woont een meneer die zaken doet met China en onder zijn bezielende leiding zou een visum in een halfuur geregeld kunnen worden. Ach, de connecties.

Op een dinsdagochtend arriveerde ik in het Carlton Beach Hotel te Scheveningen. Het was prinsjesdag en prachtig nazomerweer. Ik had meneer Van der Feer al gebeld, zo heette de man die mijn visum zou regelen, en in afwachting van zijn komst keek ik uit over de zee.

De bedoeling van deze hotelkamer was dat ik ging slapen, voor ik 's avonds weer door zou vliegen naar Peking, maar de slaap wilde niet komen. Er waren gedachten zoals: wat ga ik eigenlijk doen in China? Maar ook: zal ik terugkomen met de vogelgriep? Een klein souvenir.

De heer Van der Feer, die ik om half elf in de lobby van het hotel ontmoette, bleek een vriendelijke zakenman, als zakenman het woord is. Niet alleen kon hij mijn visum regelen, hij nodigde mij ook nog uit voor een lunch in het Kurhaus.

Op het terras gaf hij mij een korte inleiding op China. Drie onderwerpen waren taboe: Mao. De Culturele Revolutie. En de studentenopstand van 1989.

Ook legde hij mij uit hoe en hoe vaak ik op mijn gastheren zou moeten toasten en tegen de tijd dat de Chinese keuken was behandeld, was de lunch voorbij en kon ik mij klaarmaken om naar Schiphol te gaan.

De kamer in het Carlton Beach Hotel werd ontruimd. Zeven uur had ik er gewoond. Je zou iets achter willen laten in zo'n kamer. Iets discreets op de muur.

In het vliegtuig naar Peking ontmoette ik de loco-burgemeester van Apeldoorn en wat wethouders. De banden met China moesten worden aangehaald en de loco-burgermeester wilde e-mailcontact met me. Onvermoeibaar in mijn behoefte beleefd te zijn en wetend dat ik niet alleen mijzelf vertegenwoordig maar ook mijn imago, beloofde ik de loco-burgemeester spoedig te zullen e-mailen.

Daarna begon de duur van de vlucht me op te breken. Er waren dromen, misschien ook visioenen, waaruit bleek dat alles een vergissing was. Zoals iemand die zijn leven lang de communistische partij heeft gediend en pas als het te laat is erachter komt dat zijn officiële waarheid op gespannen voet staat met de verifieerbare.

Maar dat `te laat' is natuurlijk altijd een geruststelling.

Ik moet door omdat ik niet terug kan. Ook dat is zekerheid.

Op het vlieveld van Peking werd ik opgewacht door de cameraploeg. Ik was hier voor de tv. Maar het doet er eigenlijk niet toe waarom je ergens bent. Elke reden is een verontschuldiging.

Wat ik zag van Peking trof me als lelijker dan Manila, afzichtelijker dan Tokio. Extreem onpersoonlijk was deze stad. De architectuur moest wel een levensfilosofie uitdrukken. De stad moet zonder veel moeite vernietigd kunnen worden om plaats te maken voor het nieuwe. Hoe mooier de stad hoe moeilijker dat vernietigen gaat.

In de taxi naar de Chinese Muur – de televisietoerist heeft altijd haast want het budget raakt op – viel ik in slaap. Peking liep over in Lima. De metropolen van de wereld werden één, en het vliegveld leek mij de meest pregnante plaats van die metropool. De tempel waar men samenkomt. Om te bidden met je voeten: weggaan. Alleen maar weggaan. Steeds weer weggaan.

De eerste nacht in het hotel vocht ik met de airconditioning die niet uitging. Een telefoontje naar de receptie leverde niets op. Misschien was dit een besluit van de partij: koude lucht. Of een foutje. Wat het ook was, ik gaf me gewonnen.

Tegenover het hotel bevond zich een winkel waarop stond `voetmassage' en omdat ik de tweede dag van mijn verblijf in Peking veel had gelopen, liet ik die avond mijn voeten masseren.

Een meisje in een Schotse rok stopte mijn voeten in een emmer, zoals glazenwassers die gebruikten in de jaren vijftig.

Toen ik na een halfuur op wilde staan, want de tijd drong, werd het meisje in de Schotse rok boos en stopte mijn voeten weer terug in de emmer. Een voetmassage bleek één uur te duren en daaraan had men zich over te geven.

De strijd tegen de airconditioning mocht ik hebben verloren, deze won ik.

Ik betaalde voor een uur, maar nam genoegen met een kleine dertig minuten voetmasssage en verliet toen de winkel, die de mystieke geur van de verboden seksualiteit uitstraalde. Wellicht was dat verbeelding en hield men het bij voet en rug. Het deed er niet toe. Uiteindelijk is seksualiteit een technisch probleem dat voor de helft oplosbaar is.

Lang werd er die nacht niet geslapen, en er waren ook weer verscheidene visioenen. De volgende ochtend vroeg vloog ik naar Fuzhou, in de buurt van Hongkong, waar ik de sinoloog Schipper zou gaan ontmoeten.

De tempel van de metropool werd bezocht. Ik zei mijn gebeden.

Fuzhou bleek nog lelijker dan Peking. De wanhoop die cement is geworden – in Fuzhou was het goed te zien.

Maar de heer Schipper bleek alleraardigst en bovendin een taoïst. In de bergen boven Fuzhou had hij zijn eigen tempeltje gebouwd. We reden erheen.

De natuur deed denken aan de film Apocalypse Now. Warm, vochtig, een alles doordringend groen en laaghangende bewolking.

Met de complimenten van Kolonel Kurtz.

Schipper zei: ,,Het is 420 treden naar de tempel.''

We bestegen de trap. De combinatie van warmte en vocht oefende een zekere druk uit op het lichaam.

,,Wat is tao?'' vroeg ik toen we in de kleine tempel stonden.

Er liep een tuinman rond en een hondje van drie maanden.

,,Kijk'', zei Schipper, ,,zonder lijden zou er niets zijn. Lijden is de basisconditie van de mens. Maar daar moet je je niet al te druk om maken, want dat is ongezond.''

,,En verlossing?''

,,Er is geen verlossing'', zei Schipper, ,,op een gegeven moment houdt het op, maar ook dat is geen verlossing.''

Dat klonk goed. Eindelijk geen verlossing. Eindelijk heil noch hoop.

,,En hoe staat de taoïst tegenover het huwelijk?''

,,Een taoïst is nooit alleen, dat is slecht voor hem. Je hoeft niet altijd bij dezelfde te blijven, maar alleen moet je niet zijn. Dat is toch niets gedaan.''

We gingen theedrinken.

De tuinman verdween. Hij moest de kaarsen in de tempel uitblazen.

De partij was discreet aanwezig zoals de partij in China altijd discreet aanwezig is. Drie keer moest Schipper de telefoon laten overgaan voor hij opnam, anders had de Chinese geheime dienst niet genoeg tijd de afluisterapparatuur in te schakelen.

Langzaam werd het donker.

Ik begreep van Schipper dat taoïsme een ver doorgevoerde scepsis was. Geen geloof, juist ongeloof. Al waren er dan weer paradoxen, want waarom mocht je geen rundvlees eten?

Als het om scepsis gaat, dan ook geen spijswetten.

En de goden waren een spel met twee stenen dat je met jezelf speelde. Aan hen stelde je de vragen die je zelf niet durfde te beantwoorden.

Er zat iets raars aan Schipper, een taomeester met ambitie, een man van zeventig met een dochtertje van vier, die zich terugtrekt in een uithoek van China.

,,Mannen bestaan eigenlijk helemaal niet'', zei Schipper, ,,alleen vrouwen zijn werkelijke wezens en het hoogste wat je kunt bereiken is een oud vrouwtje te worden.''

,,Dat is iets wat ik had kunnen zeggen'', zei ik.

En Schipper antwoordde: ,,Maar de ware taomeesters zijn zij die het niet weten. Nu is je ziel ontmaagd.''

Dus daarvoor was ik naar China gegaan, om te ontdekken dat ik al die jaren een taomeester ben geweest.

Maar wel een consequente, want ook daarin kon ik niet geloven.

Het ongeloof wint het altijd.

    • Arnon Grunberg