Journalist Judith Miller vrij

De Amerikaanse journaliste Judith Miller, die drie maanden gevangen zat wegens haar weigering de naam van een van haar bronnen te noemen, is gisteren vrijgelaten.

Miller, werkzaam voor The New York Times, kwam vrij nadat haar bron haar toestond zijn naam en aantekeningen over hun gesprekken openbaar te maken. Waarschijnlijk zal ze vandaag getuigen voor een jury over de zaak-Plame waarover haar bron haar inlichtte.

De zaak draait om de vraag wie de naam van geheim agent Valerie Plame heeft onthuld aan columnist Robert Novak. Die schreef in 2003 dat oud-ambassadeur Joseph Wilsons echtgenote bij de CIA werkte aan de bestrijding van massavernietigingswapens en in die rol had gesuggereerd dat Wilson onderzoek deed in Niger naar de vermeende aankoop van `yellow cake', waarmee de Iraakse leider Saddam Hussein kernwapens zou willen maken.

Omdat het bekendmaken van de identiteit van een geheim agent strafbaar is, eiste een aanklager dat Miller en haar collega Matthew Cooper van Time Magazine – hoewel ze pas na Novak over de zaak berichtten – de naam van hun bron bekend maakten. De twee journalisten weigeren. Een federale rechtbank beval hun echter hun aantekeningen over te dragen. Cooper gaf toe nadat zijn bron – die de belangrijkste politieke adviseur van de Amerikaanse president Bush, Karl Rove, bleek te zijn – hem van de belofte ontsloeg zijn naam geheim te houden, Miller koos echter voor celstraf.

,,Nu heeft mijn bron vrijwillig en persoonlijk me van mijn belofte van vertrouwelijkheid ontslagen'', aldus Miller in een verklaring. The New York Times meldde vanochtend dat I. Lewis Libby, chefstaf van vice-president Dick Cheney, Millers bron is. Libby en zijn advocaat waren niet bereikbaar voor commentaar om dit te bevestigen of te ontkennen.