Jezelf wegcijferen in de woestijn

Verlichte geleerden vertrokken in 1761 uit Kopenhagen naar het Midden-Oosten om het land van de bijbel zelf te aanschouwen. De enige overlevende heeft nu een fraai monument gekregen in een `documentaire roman'.

Op een windstille winterochtend, 7 januari 1761, vertrok van de rede van Kopenhagen het oorlogsschip `Groenland' voor een reis naar Constantinopel. Aan boord bevond zich een gezelschap geleerden, aangevuld met een tekenaar en een bediende. Doel was het gelukkige Arabië, sinds de Oudheid de aanduiding voor Jemen. De expeditie, de eerste naar het zuidwestelijk deel van het Arabisch schiereiland, baarde veel opzien, maar eindigde in een catastrofe: na zeven jaar was er één overlevende. En het verzamelde onderzoeksmateriaal dat Kopenhagen wél bereikte kwam pas uit de kisten toen het weggerot of verouderd was.

Het initiatief tot de expeditie kwam van de Göttingse verlichte theoloog en orïentalist Johann David Michaelis. Een taalkundige analyse van de bijbel had vele vragen opgeroepen die alleen een expeditie naar Arabië kon beantwoorden. Zo zou de studie van eb en vloed in de Rode Zee licht kunnen werpen op de vlucht der Israëlieten uit Egypte. En omdat de Arabieren zo'n conservatief volk waren, trof je in Jemen wellicht zaken aan die nog beantwoordden aan de omstandigheden in het oude Israël.

Wetenschappelijke expedities naar verre streken waren in de achttiende eeuw niet ongewoon. In 1736 stuurde de Franse koning Lodewijk een gezelschap onder leiding van de flamboyante Pierre-Louis Moreau de Maupertuis naar Lapland om op basis van driehoekmetingen voor eens en altijd uit te maken of de aarde de vorm van een citroen had of van een mandarijn. Ook die reis zat vol avontuur en ontberingen.

De Deense expeditie naar Jemen, die onder patronage stond van koning Frederik V, telde vier onderzoekers: een taalkundige en etnoloog, een botanicus en zoöloog, een landmeter en een medicus. Het waren uiteenlopende karakters en de onderneming werd van meet af aan geteisterd door interne conflicten. Iedere deelnemer diende een dagboek bij te houden en had zijn eigen taken, variërend van het onderzoeken van de invloed van polygamie op de bevolkingsgroei tot het aanleggen van botanische en zoölogische collecties van zaken die in de bijbel voorkomen.

De dramatische tocht is aan de hand van authentieke dagboeken, reisverslagen en brieven op meeslepende wijze gereconstrueerd door de Deense auteur Thorkild Hansen (1927-1989). In 1962 publiceerde deze knappe beoefenaar van het genre `documentaire roman' Het gelukkige Arabië – in 1978 volgde een geruchtmakend verslag van het proces tegen de Noorse schrijver en Nobelprijswinnaar Knut Hamsen (die collaboreerde met de nazi's). Het Arabië-boek was een doorslaand succes, zowel bij Deense literatuurcritici als bij het lezerspubliek. Het is vertaald in tien talen, waaronder het Arabisch, en sinds kort is er ook eindelijk een Nederlandse vertaling.

Hansens kleuring van het spektakel draagt de sporen van een schematisch jaren-zestigdenken – westerse daders en oosterse slachtoffers – en hier en daar lopen gedocumenteerd feit en geromantiseerde fictie naadloos in elkaar over. Niettemin is het een heerlijk boek dat, zoals arabist Ronald Kom in zijn nawoord opmerkt, veel duidelijk maakt over onze kijk op de Oriënt, tijdens de Verlichting én in de jaren zestig van de vorige eeuw. Westers superioriteitsgevoel was in de achttiende eeuw de norm, maar dat ging bij reizigers naar de Oriënt heel goed samen met onbevangenheid, respect voor de islam, brede nieuwsgierigheid en oprechte honger naar kennis over een vreemd cultuurgebied. De expeditie naar het gelukkige Arabië past aldus perfect in het achttiende-eeuwse Verlichtingsideaal: de vervulling van de encyclopedische droom.

Moerasland

Hoofdpersoon van het boek is Carsten Niebuhr, geboren en getogen op het vlakke Noord-Friese moerasland van Holstein. Op zijn tweeëntwintigste, toen zijn latere mede-expeditieleden hun academische studie al achter de rug hadden, nam hij als boerenzoon het besluit landmeter te worden en zich in Hamburg op school het alfabet eigen te maken en de tafels van vermenigvuldiging uit het hoofd te leren. Deze Carsten Niebuhr is een simpele, praktisch ingestelde man zonder grootspraak of geldingsdrang. Als enige overlevende van de expeditie is hij de overwinnaar. Zijn geheim: het vermogen zich aan te passen aan lokale condities en gewoontes en zo de gevaren waaraan een Europeaan in de Oriënt blootstaat te minimaliseren. Het is Carsten Niebuhr die in Constantinopel met het initiatief komt oosterse kledij te gaan dragen. Reisgenoot Von Haven, een luie en ijdele Deense taalkundige en gemankeerd expeditieleider, heeft in die metropool juist uit wanhoop enkele pakketjes arsenicum ingeslagen, waarmee hij de anderen de stuipen op het lijf jaagt.

Hansens sympathie ligt duidelijk bij de eenvoudige, integere en slagvaardige Niebuhr, die als onvoorwaardelijk en onbevooroordeeld realist geen kwaad kan doen en ontdekt dat hij het vertrouwen van vreemde volkeren alleen kan winnen `door zichzelf weg te cijferen, hun taal te leren, hun kleren te dragen en hun eenvoudige levenswijze over te nemen.' Terwijl Hansen geen gelegenheid onbenut laat om Von Haven, die van zijn hoofdopdracht om in de Sinaï op zoek te gaan naar sporen van de Israëlitische uittocht uit Egypte niets terechtbrengt, als een onbekwame nietsnut weg te zetten, portretteert hij Niebuhr als een ijverige, leergierige landmeter die de ene na de andere kaart of plattegrond fabriceert en bovendien met engelengeduld ook nog eens series hiërogliefen en Koefische inscripties kopieert.

In Jemen gaat het mis. Het gelukkige Arabië van koningin Sheba (uit de tijd van Salomo) blijkt vervallen tot een verzameling verwaaide zandhopen in de woestijn. Maar in het Westen geldt het land onverminderd als het paradijs op aarde waar, zoals Hansen schrijft, `de hoop blijft aanmeren in de onder het zand verdwenen havens waar ooit de rijkdommen van de Oriënt werden gelost.' Tijdens een trektocht vol ontberingen, dwars door de woestijn, slaat de malaria toe. Eerste slachtoffer is Von Haven – Hansen zal het met tevredenheid hebben geconstateerd. De andere expeditieleden treft hetzelfde lot, met uitzondering van Niebuhr.

Spijkerschrift

Niebuhr doorstaat alle ellende. Doodziek ontvlucht hij het tropisch hete Mokka door op een Engels schip aan te monsteren dat op weg is naar Indië. Via Bombay belandt Niebuhr in Perzië, waar hij bij de ruïnes van het koninklijk paleis van Persepolis inscripties in spijkerschrift kopieert. Via Jeruzalem gaat het naar Warschau, waarna hij in Kopenhagen terugkeert. Zeven jaar heeft de reis geduurd. Tien jaar spant Niebuhr zich in voor de uitgave van het werk van zichzelf (etnografische, taalkundige, astronomische, biologische en medische waarnemingen, talloze geografische kaarten en reisdagboeken) en van zijn reisgenoten – met matig succes. Zijn laatste levensjaren slijt hij in zijn geboortestreek.

Zo logisch als Hansen de overwinning van de nijvere aangepaste eenvoud van Niebuhr doet voorkomen, was ze niet. Ook Niebuhr was er beroerd aan toe en voor hetzelfde geld had hij ergens in het hete zand van Jemen het loodje gelegd. Peter Forskåll, Zweeds botanicus en een leerling van Linnaeus, had net zo goed de enige overlevende kunnen zijn. Ook Forskåll legde een formidabele werkkracht aan de dag, leerde Arabisch (en was Niebuhr daarin de baas) en trok veelvuldig op met lokale dorpsbewoners om zoveel mogelijk wetenschappelijke resultaten te kunnen boeken.

Een flink deel van het materiaal dat Forskåll verzamelde – botanische en zoölogische collecties en manuscripten – ging in de Oriënt verloren: zeerovers in de Middellandse Zee, vijandige douanebeambtes in de havenstad Mokka, storm tussen Bombay en Calcutta. De kisten die Kopenhagen wél bereikten vielen ten prooi aan verwaarlozing en nalatigheid. Het meeste materiaal rotte weg. De paar gedroogde vissen en schaaldieren die resteren, constateert Hansen bitter, zijn weggestopt in afgesloten laden en kasten. Forskålls herbarium met dertienhonderd planten raakte versnipperd, zijn manuscripten raakten zoek en zijn reisdagboek werd pas in 1950 uitgegeven, toen het nog slechts historische waarde had.

Forskåll had zich minstens zo goed aangepast als Niebuhr. Voor hetzelfde geld had de energieke, opvliegende Zweed zich overwinnaar van het gelukkige Arabië mogen noemen. En was Hansen met een hoofdpersoon opgescheept die niet in zijn ideologische straatje paste.

Thorkild Hansen: Het gelukkige Arabië. Uit het Deens vertaald door Diederik Grit en Edith Koenders. De Geus, 414 blz. (geïll.) €24,90.