`Jeugd in Kosovo heeft geen enkel perspectief'

Het aantal jongeren in Kosovo groeit explosief. ,,Maar hun perspectief is nul.'' De bestemming Zwitserland is populair onder de gymnasiasten van de Sami Frashëri-school.

Een minuut na de bel voor de eerste ochtendpauze puilt het schoolplein uit. 1776 scholieren heeft het Sami Frashëri-gymnasium in Priština, de hoofdstad van Kosovo. Ze zijn er vandaag allemaal, de meeste in uniform: meisjes in zwart-wit geblokte jurkjes, jongens in blauwe blazers. ,,Onze jeugd is gedisciplineerd, ze gebruiken geen drugs,'' zegt directrice Kumrije Kallaba. Tevreden kijkt ze door haar raam neer op het gekrioel beneden op het schoolplein.

Tot 1999 heette de school het Ivo Lola Ribar-gymnasium, naar de gelijknamige Servische partizanenleider. Maar na de Kosovo-oorlog in 1999 werd de naam veranderd in Sami Frashëri, naar een beroemde Albanese schrijver. Het weerspiegelt het resultaat van het etnische geweld: na jaren van Servische overheersing in de provincie hebben nu de Kosovo-Albanezen het voor het zeggen. Kosovo, waar de Albanezen met negentig procent in de meerderheid zijn, wil onafhankelijk worden; de Servische minderheid in Kosovo en de regering in Belgrado willen daar niets van weten.

,,Onafhankelijkheid is de enige optie,'' zegt directrice Kallaba, die de aanstaande onderhandelingen over de toekomst van Kosovo bij voorbaat betitelt als een achterhoedegevecht. Het Sami Frashëri-gymnasium is nu ,,etnisch zuiver''. Liever zou ze die beladen term niet gebruiken, maar het is volgens haar de realiteit. Op de van oudsher multi-culturele school zijn geen Servische leerlingen of leraren meer te bekennen. De Servische taal wordt niet meer onderwezen.

,,Maar als Kosovo eenmaal onafhankelijk is zijn de Serviërs weer welkom op mijn school, zolang ze maar Albanees leren spreken'', zegt Kallaba. ,,Ze zullen wel moeten, want ze maken te weinig kinderen om hun eigen scholen te rechtvaardigen.''

Sinds het begin van dit schooljaar weigeren Servische ouders in dorpjes in West-Kosovo hun kinderen te sturen naar een nieuwe multi-etnische school die met Italiaans donorgeld werd opgericht. De ouders willen niet meedoen aan wat ze een ,,politiek gekleurd experiment'' noemen.

Terwijl binnen de krimpende gemeenschap van Kosovo-Serviërs de vergrijzing groot is, is de aanwas onder Albanezen enorm. Kosovo heeft de jongste bevolking van Europa. Van de twee miljoen inwoners gaan er 420.000 naar school. Ruim tweederde is jonger dan dertig. ,,We werken 's nachts hard,'' grapt Ismet Beqiri, burgemeester van Priština. ,,Om de haverklap valt in Kosovo de elektriciteit uit. Wat moet je anders in het donker doen?''

Maar de serieuze problemen stapelen zich op. De werkloosheid is 60 procent en ieder jaar groeit het leger werkzoekenden met vijftigduizend schoolverlaters. ,,Slechts drieduizend daarvan gaan naar de universiteit, de rest belandt op straat,'' zegt Agim Mala, hoofdredacteur van de krant Lajm die waarschuwt voor een exodus van jonge Kosovaren. ,,De economie in Kosovo stelt niets voor, er is voor jongeren geen enkel perspectief.'' De meeste jongeren verkopen illegaal ingevoerde sigaretten. Kinderen jonger dan tien bedelen op de terrasjes van luxe restaurants die worden gefrequenteerd door gezanten van de internationale gemeenschap – het VN-bestuur UNMIK, OVSE en tal van non-gouvernementele organisaties.

,,Na school wil ik naar Zwitserland,'' zegt Petrit Kllokogi, gymnasiast aan het Sami Frashëri. Zijn nichtje Fjolla, die in zijn klas zit, denkt aan Zwitserland of Oostenrijk. Allebei komen ze uit een gezin met vier kinderen. ,,En allemaal denken we er hetzelfde over,'' zegt Fjolla. ,,Onze toekomst ligt buiten Kosovo.''

De baby boom-generatie kwam tot stand in de jaren zeventig, toen Belgrado – het Belgrado van Josip Broz Tito – de provincie meer autonomie gunde en de regio barstte van optimisme. Kosovo voer daar economisch wel bij en vooral de islamistische Albanese families groeiden. ,,Die baby boom drukt nu zwaar op ons,'' zegt wiskundeleraar Abdullah Jashari. Sinds 1981 geeft hij les aan het Sami Frashëri. ,,De school was gemengd, het was een geweldige tijd. Het schoolhoofd was een Serviër maar dat deed er niet veel toe.''

In de jaren negentig, onder het bewind van de Servische leider Slobodan Milošević, veranderde de situatie drastisch. Na de eenzijdige afschaffing van hun autonomie door Milošević in 1989 riepen de Kosovaren even eenzijdig hun `onafhankelijkheid' uit. Vanaf dat moment beschouwden de Kosovaren hun provincie als bezet. Alle Kosovo-Albanezen werden uit hun staatsbanen gegooid, uit het openbaar bestuur, de ziekenhuizen, de scholen. Een heel volk ging ondergronds. ,,Wij leraren moesten onderduiken,'' zegt Jashari. ,,We doceerden onze Albanese leerlingen op geheime plekken, soms bij de leraar thuis. Als de Servische politie een inval deed, kon je mee naar het bureau.''

Dat na 1999 de school opnieuw mono-etnisch is, betreurt Jashari. Zijn Servische oud-collega's verhuisden de afgelopen jaren naar de Kosovaarse stad Mitrovica, in het noorden van de regio, waar ze in het noordelijke, Servische stadsdeel een baan als onderwijzer vonden. Jashari: ,,Als ik ze soms spreek halen we dezelfde goede herinneringen op aan de jaren tachtig.''

Of Kosovo wel of niet onafhankelijk moet worden, vindt Jashari van ondergeschikt belang. ,,We zullen geleidelijk moeten leren samen te leven. Ik wil met passie lesgeven, aan wie het maar wil. Dat is mijn remedie tegen de haat.''

    • Tijn Sadée