In een perfecte galop

De lijst genomineerden voor de Booker Prize heet de beste in jaren te zijn; er hadden wel twee shortlists samengesteld kunnen worden. Er zijn inderdaad zes mooie, prettige romans genomineerd. Maar is dat wel goed nieuws?

In Engeland zijn boeken als renpaarden. `Julian' heeft in de polls de meeste kansen (5/4), gevolgd door `Kazuo' (3/1) en `Zadie' (4/1). Maar `Sebastian' (8/1), `John' (10/1) en `Ali' (12/1) maken minder kans op de 50.000 pond die de winnaar van de Booker Prize op 10 oktober ontvangt. Al twintig jaar maakt Graham Sharpe de kansenlijst en daarvoor hoef je, zo laat hij opgewekt weten op de website van de prijs, niet alle boeken te lezen. `De mensen die de kansen voor de Derby of Grand National inschatten hebben ook nooit op de paarden gezeten.' Het gaat om goede boeken, maar ook om reputaties – sommige paarden ken je, je wéét dat ze snel zijn.

Bij het bekend maken van de shortlist dit jaar was er commotie omdat grote namen die wel van stal waren gehaald voor de longlist, ontbraken op de shortlist. Waar waren J.M. Coetzee, Salman Rushdie en Ian McEwan? Volgens John Sutherland, voorzitter van de vijfkoppige jury, zei dat iets over de ongekende hoge kwaliteit van de shortlist, de beste sinds jaren. Maar het zegt ook iets over de literaire voorkeuren van de jury – misschien zelfs iets over haar gemakzucht. De zes boeken op shortlist van dit jaar kenmerken zich allen door een goed te volgen verhaal, een vleugje engagement (maar niet te veel), een flinke scheut aandacht voor de Britse geschiedenis en haar literaire voorvaderen, en een heldere vormkeuze. Ik sloeg ze allen – behalve één boek dat ik ronduit slecht vond – dicht met een glimlach. Zo. Uit. Mooi boek. Fijn. Prettig afgerond ook.

Het zijn, kortom, beminnelijke boeken. Al te beminnelijk misschien, in vergelijking met de grillige Rushdie, wiens Shalimar the Clown (besproken in Boeken, 11.08.05) door een van de vijf geselecteerde `gewone' Britse lezers die de complete longlist mee naar huis krijgen om binnen zeventien dagen een shortlist samen te stellen, volkomen `onleesbaar' wordt genoemd in zijn videodagboek. Ook gepasseerd werd Ian McEwans Saturday (besproken in Boeken, 11.02.05), waarin door twee personages stevig over de Britse ondersteuning van de oorlog in Irak wordt gedebatteerd. Het is het boek dat ik, te midden van alle beminnelijkheid, het hardst heb gemist op de shortlist.

Op die shortlist bleven overigens genoeg `grote' namen over. Alle auteurs, behalve Sebastian Barry, werden eerder genomineerd voor de prijs, Julian Barnes zelfs twee keer. De schrijvers doen hetzelfde kunstje dat ze eerder al eens lieten zien. We hebben een grote multiculturele familieroman van Zadie Smith, een wervelende talige dans over identiteit van Ali Smith, een historische roman van Barry waarin de Ierse identiteit een prominente rol krijgt, een roman van Ishiguro over iemand die zich enigszins afstandelijk tot de wereld verhoudt, een innerlijke queeste van een man in midlife crisis met veel prachtige bijzinnen van Banville en een roman met een beroemde schrijver als uitgangspunt bij Barnes. Het zijn keurige romans, stuk voor stuk, van schrijvers die hun vak verstaan. Maar ik heb grote opwinding, diepe ontroering of onverwachte schok gemist. Bij geen van de boeken kreeg ik het gevoel dat er werkelijk iets (nieuws) op het spel stond.

Is de Britse literatuur al te gesetteld geraakt? De Britse criticus Robert McCrum ontkent dat. Volgens hem laait het vuur in de Britse letteren hoog op, maar is een prijs met honderd inzendingen zowel te veel als te weinig. De uitgevers, die twee boeken mogen inzenden kiezen meestal voor hun beste of hipste auteurs. Juryleden mogen daarnaast extra boeken aanvragen – bijvoorbeeld als ze getipt zijn over een opvallend debuut. McCrum lanceerde de term `Booker fiction' als een genre-aanduiding voor een boekenprijs die al 37 jaar bestaat en met succes een bepaald soort boeken promoot. Dat de voorzitter te kennen gaf dat er genoeg goede boeken waren voor twee shortlists klinkt positief, maar geeft ook te denken.

Zadie Smith zal de eerste zijn om te erkennen dat een nominatie voor de meest prestigieuze literaire prijs van Groot-Brittannië niet per se alleen maar een zegen is voor een schrijver. Haar dwarse, originele toon en de belangwekkende thema's uit haar debuut White Teeth werden onmiddellijk door het literair establishment erkend en ingelijfd. Haar tweede, verkrampte roman The Autograph Man, ging prompt over de last van roem en succes. Met het vorige maand verschenen On Beauty is ze terug met een boek dat gaat over twee zeer verschillende gezinnen die elkaars pad kruisen; het boek ademt een zekere vertrouwdheid uit omdat het enigszins lijkt op White Teeth.

Rembrandt-deskundige Howard Belsey is al dertig jaar getrouwd met de Afro-Amerikaanse Kiki, en samen hebben ze drie jongvolwassenen kinderen die druk in de weer zijn met hun identiteit. Zoon Levi wil rapper worden, Zora voelt zich een beetje lelijk, en Jerome is streng religieus. Hij is verliefd op Victoria, de dochter van de conservatieve Kipps, een intellectuele rivaal van Belsey. Vooral het portret van het afbrokkelende huwelijk tussen Howard en Kiki is treffend. Howard-in-midlifecrisis zoekt zijn vertier bij Claire, een zweverige poëziedocente die werkt op dezelfde universiteit; ze verschilt in alles van de zwaarlijvige zwarte Kiki: klein, blank, tenger.

Zo bezien is On Beauty een rijk en onderhoudend boek over botsingen tussen rijk en arm, conservatief en progressief, wit en zwart. On Beauty wil echter méér zijn dan een familieroman: het is bijvoorbeeld ook een eerbetoon van Zadie Smith aan haar literaire held, de Britse schrijver E.M. Forster. De eerste zin, `One might as well begin with Jerome's e-mails to his father', is een variatie op de openingszin uit Howards End; daar ging het om een brief van Helen aan haar zus. De roman bevat daar boven op diverse meer en minder willekeurige opmerkingen over schoonheid en kunst.

De tractaat-achtige titel `over schoonheid' wordt het meest geslaagd uitgewerkt op de banalere plekken. De echtelijke seks tussen Howard en Kiki wordt liefdevol en genadeloos beschreven in een schitterende scène. Die is niet ingeslapen, zoals men wellicht zou verwachten, maar zo geperfectioneerd dat de echtelieden eerder trots dan opgewonden zijn en het liefst de buren zouden uitnodigen om eens een kijkje te komen nemen. Kiki heeft in de loop van de jaren een techniek ontwikkeld en zou soms Howard daarover willen inlichten, maar doet het niet: `Who cares, anyway, for technicalities when that star-burst of pleasure and love and beauty is taking you over.'

Anders dan in White Teeth, lijken de personages in On Beauty een beetje meer op mensen van vlees en bloed met enige diepgang en gelaagdheid. Levi, de zoon des huizes, is soms onzeker en laat zich aanvankelijk niet zomaar vangen in een karikatuur. Het verwart dan ook als Smith de opgebouwde zorgvuldigheid afbreekt met een zin aan het einde van het boek tenietdoet: `They had learned a few of the artificial words that Levi liked to apply to their real-life situation. Hustler, Playa, Gangsta, Pimp.' Het is alsof Smith schippert tussen sympathie voor haar personages en haar talent om in een sarcastische pennenstreek de mens in zijn karikaturale onvolkomenheid neer te zetten. Misschien is Zadie Smith gewoon niet meer boos genoeg; de satire op het witte universiteitsleven lezen is niet nieuw noch het vleugje etniciteit dat zij eraan toevoegt doet zelfs gedateerd aan (de obsessie met Afro-Amerikaanse identiteit in black studies hadden hun hoogtijdagen begin jaren negentig). De rijkheid en weidsheid aan thema's maakt bovendien dat wat in White Teeth thematisch zo scherp in het oog sprong (de multiculturele samenleving in turbulent Londen) hier ondergesneeuwd raakt. Bijtend als in White Teeth wordt het nooit: het blijft multiculti light.

Het sterkste voorbeeld van de `beminnelijke' juryvoorkeur spreekt uit de keuze voor Sebastian Barry's A Long Long Way (besproken in Boeken, 26.08.05). Daarin volgen we de ervaringen van een Ierse soldaat die in de Eerste Wereldoorlog voor de Engelsen vecht. Willie Dunne ligt in de loopgraven, schrijft aandoenlijke brieven aan zijn meisje en hunkert naar de goedkeuring van zijn vader. Willie werd, zoals de roman meteen al in de eerste zin duidelijk maakt, geboren in een generatie van Ierse jonge mannen die anoniem voor Engeland zouden sterven in een bloedige oorlog. Barry is een vaardige verteller en beschrijft beeldend hoe piepjonge soldaten een groep prostituees bezoeken. Ze imiteren elkaar, en voor sommigen, zoals Willie, is het de eerste seksuele ervaring. In A Long Long Way wordt weliswaar veel bloed vergoten en gaan jonge mannen dood aan syfilis en kogels, maar toch raak je niet van je stuk door het geweld. De roman is daarvoor te conventioneel in zijn chronologische opzet, inhoud en zijn vertelstijl. Het boek voelt al te vertrouwd, alsof je dit verhaal al vele malen hebt gelezen.

Dat kan niet gezegd worden voor Kazuo Ishiguro, die afstandelijke personages tot zijn handelsmerk maakte. In The Remains of the Day deed hij dat met veel succes, in Never Let me Go (besproken in Boeken, 11.03.05) lukt dat niet. Zijn hoofdpersoon Kathy H. staat niet echt in contact met de wereld. Zij is 31 en verzorgt donors, klonen die hun organen afstaan aan hun aardse evenknieën. Ze kijkt terug op haar jeugd in een internaat en haar vriendschap met twee andere leerlingen. Soms maken ze samen schilderijen. De kunst van de kinderen wordt weggehaald door ene Madame. Later legt Madame aan Kathy uit dat het weghalen van de kunst bedoeld was om de kinderen te helpen: het zou kunnen bewijzen dat donors een ziel hebben. Pijnlijk genoeg is dat precies wat je in Never Let me Go mist: een ziel. Om op Kiki uit On Beauty te variëren: wie kan de keurige technische vaardigheid wat schelen, als er geen sprake is van plezier of schoonheid. Never Let me Go is hier en daar zelfs pathetisch als personages in snikken uitbarsten, en je aanvoelt dat dit ook voor jou het moment is om mee te huilen, maar je voelt niks.

Nee, dan liever Julian Barnes. In Arthur & George (besproken in Boeken, 12.08.05) volgen we afzonderlijk twee negentiende-eeuwse mannenlevens totdat ze onverwacht bij elkaar komen. Arthur Canon Doyle is de schepper van Sherlock Holmes en een beroemdheid in zijn tijd. Doyle krijgt met regelmaat brieven die beginnen met `Dear Sherlock Holmes'. Meestal laat hij die links liggen, maar er is een brief die hem intrigeert, geschreven door George Edalji. George is streng opgevoed; zijn vader is van Indiase afkomst en zijn moeder komt uit Schotland. Hij wordt beschuldigd van het schrijven van lasterlijke brieven en van het molesteren van vee en veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar. Zelf vermoedt hij onderhuids racisme bij de politie, de jury en de pers. Mooi zijn ook de portretten van de vrouwen in het boek, die in hun bijrollen de mannen maken tot wat ze zijn: George's pogingen op het liefdespad vlotten ook niet: zijn zus lijkt zijn trouwste gezelschap; zo trouw dat mensen vermoeden dat ze een stel zijn. Arthur daarentegen, zet de bloemetjes buiten, maar probeert het decorum overeind te houden. Zijn pittige minnares Jean, die weigert de eeuwig wachtende vrouw te zijn, moet toezien hoe Arthur er alles aan doet om `The Mem' (zijn moeder) niet tot schande te maken. Arthur & George is een imponerende historische roman, waarin milde compassie met de personages doorklinkt: het is gebalanceerd, goed opgebouwd en er ligt een grondige research aan ten grondslag.

Zowel Zadie Smith en Julian Barnes zijn vertellers die speels omgaan met de literaire meesters aan wie zijn hun voorbeeld ontlenen, zonder dat het leidt tot verwijzingen die alleen voor liefhebbers te begrijpen zijn. Als Barnes de delen in zijn boek titels geeft als `Beginnings', `Beginning with an Ending', `Ending with a Beginning', dan moeten we dat letterlijk opvatten.

Zo niet bij Ali Smith. Haar delen heten ook heel keurig `The Beginning', `The Middle' en `The End', maar ze zijn alles behalve dat: `Het begin van de dingen – wanneer is dat precies?', zo luidt de eerste zin. The Accidental (De Toevallige, besproken in Boeken, 26.08.05) vergt van de geshortliste boeken het meest van de lezer, omdat Smith de lineaire vertelling vermijdt. Bovendien strooit ze naar hartelust met citaten – volkomen verliteratuurd, maar zonder dat het leidt tot complexe postmoderne constructies; het wemelt van de verwijzingen naar de literaire voorvaders en moeders die zij bewondert: Joyce, Virginia Woolf, The Beatles, en meestal worden ze ritmisch in de tekst gepast. Wie van poëzie, prachtige ritmische zinnen en puberende personages houdt, zit bij Smith goed

Bovendien is er een verhaal dat amuseert: De Toevallige gaat over de ontwrichting van een gezin door de komst van een mysterieuze veertigster, Amber. Zij windt alle familieleden erotisch om haar vinger: de lesbische dochter, de geletterde vader die prompt in sonnetten uitbarst als Amber de kamer binnenzeilt, de schrijvende moeder in midlife-crisis, en zoonlief, die het staren naar virtuele borsten op het internet nu vervangt voor het betasten van een paar echte. Lolita (even wulps, maar ouder) meets The Graduate (maar dan een vrouw). In De Toevallige zegeviert openheid, maar toch krijgt de lezer een gevoel van afronding; het eindigt zoals het begon, met de vraag waar het eindigt.

Ook bij Banville is chronologie een belangrijk thema. In The Sea verliest de kunsthistoricus Max zijn vrouw, en haar dood maakt herinneringen aan het verleden levend, zijn eerste liefde. Maar anders dan de voortdurend vooruitsnellende taalbewegingen van Smith, gaat het bij Banville niet om het vooruitdansen en ritmisch meeswingen op de zinnen, maar om het blijven hangen in zinnen, terugbladeren, een zin opnieuw lezen, daarover mijmeren, weer terugbladeren. De Ierse Banville is als een sierpaard dat stijlvaste dressuuroefeningen doet op de plaats of gracieus achteruit draaft. `Memory dislikes motion, preferring to hold things still,' zegt Max treffend. Hij denkt het liefst, wellicht een beroepsdeformatie, in stilstaande tableaus, landschappen, sferen en schilderijen. Als hij in de spiegel kijkt, vergelijkt hij zichzelf met de zelfportretten van Bonnard die zichzelf op zijn schilderijen bekijkt in de badkamerspiegels en die ook zijn vrouw verloor.

Banville is een soms wat archaïsch aandoende mooie-zinnenschrijver (`How wildly the wind blows today, thumping its big soft intellectual fists on the window pane'), iemand die enkele pagina's ervoor uittrekt om de eerste kus tussen Max en Chloe, zijn jeugdliefde, te beschrijven – en dat doet hij prachtig. Wanneer precies was die kus ook al weer, mijmert de hoofdpersoon. Het geheugen is soms verward, maar de traumatische ervaring (tevens ontknoping van het boek) is gevangen in een beeld dat zijn geheugen niet loslaat, een tableau met een zee.

De Booker Prize 2005? Graham Sharpe zit er met zijn polls zelden ver naast. Ik denk met Sharpe dat de prijs gaat naar een tophengst die met de meeste overtuiging galoppeert naar de eindstreep. De keuze voor Julian Barnes zou niet onterecht zijn en is er een waar iedereen goed mee kan leven. Barnes schreef een boek dat imponeert door het kundig vakmanschap; het is van de lijst de meest complete en volmaakte roman mét een ziel die zowel stilistische fijnproevers, geschiedenisliefhebbers, anglofielen als verhaalliefhebbers tevreden stelt.

Maar ik gok graag tegen de kansen in en zet in op een sympathieke Schotse gepassioneerde merrie met lef die het meeste uit de pas loopt, soms uit de bocht vliegt om luid hinnikend weer overeind te krabbelen. Wat mij betreft gaat de prijs naar Ali Smith vanwege haar ambitieuze ritmische prozapoëzie.