Het slot van de mond

In heel Europa worstelen sociaal-democraten met de opkomst van het rechtse populisme. Want van een morele veroordeling van kritiek op de multiculturele samenleving, trekt de kiezer zich bar weinig meer aan.

Arme sociaal-democraten. Overal in Europa worstelen zij met het dilemma dat hun traditionele sociale basis aan twee kanten afkalft. De industriële economie heeft plaatsgemaakt voor een diensten- en kenniseconomie. Een groot deel van de autochtone arbeidersklasse heeft zich opgewerkt naar de middenklasse en wordt verleid door het liberalisme. Het restant is afgezakt naar de onderklasse van werklozen en bijstandsgerechtigden, die bovendien steeds sterker is verkleurd. Overal in Europa blijken juist deze moderniseringsverliezers vatbaar voor de verleiding van rechtspopulistische en neo-nationalistische bewegingen.

Het vuistdikke boek van journalist Rinke van den Brink, een vervolg op zijn eerdere studie De internationale van de haat (1994), brengt de stand van de discussie over deze explosieve materie in kaart. Wat is er misgegaan? Hebben de sociaal-democraten in de kraamkamer van het rechtse populisme gestaan omdat ze geen stem hebben kunnen (of willen) geven aan de zorgen van hedendaagse burgers? In hoeverre is het succes van radicaal rechts te wijten aan een gebrek aan inhoudelijke bestrijding? Vaak bleef de politiek correcte reactie immers beperkt tot een morele veroordeling (`racisme!') waar de kiezers vervolgens maling aan bleken te hebben. Hoe kan het verloren terrein worden teruggewonnen en met de rechtsradicale verleiders worden afgerekend?

Van den Brink inventariseert uitvoerig de conflicterende visies en strategieën van sociaal-democraten in landen als België, Denemarken, Frankrijk, Nederland, Oostenrijk en Zweden. De cruciale vraag is: incorporeren of isoleren? In België begint het lang volgehouden cordon sanitaire tegen het Vlaams Blok (nu Vlaams Belang) inmiddels scheurtjes te vertonen, ook omdat het per saldo onvoldoende heeft gewerkt. Het antwoord van de sociaal-democraten was lange tijd om het Blok zo weinig mogelijk aandacht te geven, en vooral te komen met een eigen verhaal, dat onder invloed van de charismatische Steve Stevaert een sterk linkspopulistische inslag kreeg. Maar Stevaert was wel degelijk blij met de veroordeling door het Gentse hof van het Blok als `racistisch', en blijft Blok-leider Dewinter een `onvervalste fascist' noemen.

Vreemdelingenbeleid

Ook in Oostenrijk mislukte het cordon sanitaire, mede omdat de `grote coalitie' van sociaal- en christendemocraten onder druk van de FPÖ van Jörg Haider al in de jaren negentig een steeds restrictiever vreemdelingenbeleid ging voeren. De politieke Ausgrenzung bood de FPÖ van Haider jarenlang een groeigarantie. Maar net als in Nederland, waar de LPF in snel tempo werd geneutraliseerd zodra die partij deelnam aan de regering, begon de FPÖ nederlagen te lijden vanaf het ogenblik dat zij werd `meegenomen in bad'. De Oostenrijkse sociaal-democraten zien inmiddels in dat het te gemakkelijk is geweest om Haider als een neo-nazi af te schilderen, en dat de FPÖ een toevluchtsoord is geworden voor laagopgeleiden en sociaal zwakkeren die de SPÖ zelf onvoldoende heeft kunnen beschermen en aanspreken.

Denemarken is een ander geval. Dit land zette al onder de sociaal-democratische premier Poul Nyrup Rasmussen het meest restrictieve asiel- en immigratiebeleid in van heel Europa, dat door de neoliberale regering van zijn naamgenoot Anders Fogh Rasmussen in verscherpte vorm werd voortgezet. Onder druk van de populistisch-nationalistische Dansk Folkeparti (DF), maar ook van de eigen lobby van spraakmakende burgemeesters die met de voeten in de multiculturele modder stonden, ontwierpen achtereenvolgende sociaal-democratische ministers van Binnenlandse Zaken als Weiss, Simonsen en Jespersen steeds strengere vreemdelingen- en immigratiewetten. Zo schurkten de sociaal-democraten steeds dichter aan tegen de DF, terwijl deze partij op haar beurt een vorm van welvaartsstaat-chauvinisme ging omarmen (solidariteit, maar alleen met het eigen volk).

Zweden is de uitzondering die de regel bevestigt. De Zweedse Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SAP) is al 75 jaar vrijwel onafgebroken aan de macht. De populistische succesformule van neoliberalisme plus verzet tegen immigratie die wordt uitgedragen door Sverigedemokraterna (SD), krijgt er nauwelijks voet aan de grond, ook vanwege het ontbreken van charismatische politieke entrepreneurs als Haider of Fortuyn. Het cordon sanitaire is in Zweden een vanzelfsprekendheid, het woord racisme wordt lustig gehanteerd, en volgens eigen zeggen hebben de sociaal-democraten door een `combinatie van geluk en goed werk' de doorbraak van radicaal-rechts kunnen verhinderen. De SAP mobiliseert nog steeds de laagopgeleiden, en heeft (althans volgens een politiek zwaargewicht als Minister van Integratie Mona Sahlin) de kloof tussen partij en kiezers voorkomen: `De regering staat midden tussen de mensen'. Maar het is de vraag of die felicitaties aan eigen adres terecht zijn. Is er geen aanleiding om te geloven dat in dit geval, zoals de Denen zelf graag beweren, Denemarken met negatieve ontwikkelingen Zweden altijd twintig jaar vooruit is?

Optocht van feiten

De rijkdom aan detail die Van den Brinks boek biedt, geeft aanleiding tot leerzame vergelijkingen. Maar de keerzijde hiervan is een eindeloze en ordeloze optocht van feiten en meningen, die het moeten stellen zonder analytische schifting of structurering. Daarbij blijft Van den Brink consequent spreken over `extreem-rechts', over racistische `vreemdelingenhaat' van `anti-democraten' die een `anti-systeem houding' innemen en daarmee het `politieke cynisme' aanwakkeren. Zijn sympathie lijkt uit te gaan naar die sociaal-democratische multiculturalisten die de populistische `sirenenzang' weerstaan, die met behoud van hun oorspronkelijke principes weer een brug proberen te slaan naar hun verloren volkse achterban. Zijn beschrijving van het Zweedse model lijkt daarbij min of meer als stadhouder van zijn eigen opvattingen te fungeren.

Van den Brinks vergelijkende perspectief is vooral informatief waar het gaat over de opbrengst van verschillende varianten van het cordon sanitaire. Maar hier wreekt zich zijn politiek correcte vooroordeel dat het rechtspopulisme in de grond als een politieke ziekte moet worden beschouwd. De `anti-politieke' of anti-systeem-houding van populisten is echter niet zonder meer een bedreiging of ondermijning van de democratie, maar moet ook worden gezien als een terechte correctie op de arrogantie en de gesloten kartelpraktijken van de zittende macht. De politieke democratie kan zelfs worden verdiept als een gematigde vorm van populisme daarin institutioneel kan worden verankerd. Van den Brink rept echter met geen woord over mogelijk aantrekkelijke vormen van directe democratie. De personalisering van de politiek ziet hij als een onversneden gevaar, niet als een kans om de democratie te revitaliseren.

Ook wat betreft de tweede hoofdmelodie in de populistische `sirenenzang' blijft dit boek in een verlammende correctheid steken. De afwijzing van de multiculturele samenleving is `fout', en de goede redenen die zowel `foute' sociaal-democraten als nog `foutere' populisten voor die afwijzing aanvoeren, kunnen niet rekenen op een zakelijke of serieuze afweging. Ook niet wanneer blijkt dat de Deense sociaal-democratische oud-minister Karin Jespersen, die hij vergelijkt met Fortuyn en een `dogmatisch activisme tegen de multiculturele samenleving' en tegen de islam aanwrijft, vooral wordt gedreven door feministische gelijkheidsidealen uit de jaren zeventig. Terecht stelt zij dat het behoud van de eigen cultuur in de praktijk neerkomt op `behoud van de cultuur van zeer autoritaire moslimmannen'. De auteur lijkt evenmin onder de indruk van de beroemd geworden casus waarin de Deense sociaal-democratische burgemeester Kjeld Hansen geschokt naar huis rijdt na een door de familie gearrangeerd huwelijk te hebben bekrachtigd tussen een 18-jarig meisje met een middelbaar schooldiploma en een analfabeet uit het Turkse achterland.

De conclusie moet daarom omgekeerd zijn aan datgene wat tussen de regels door valt te lezen. Het zijn niet de landen (Zweden, Frankrijk) waar het cordon sanitaire nog recht overeind staat, en ook niet de landen (België, Oostenrijk) waar het schoorvoetend wordt doorbroken, die de populistische handschoen het meest succesvol hebben opgenomen. Het is het land dat de populisten meteen na hun verkiezingsoverwinning (natuurlijk deels uit opportunisme, en geschokt door de moord op hun voorman Fortuyn) tot regeringsverantwoordelijkheid heeft geroepen. In de nasleep van dit drama hebben de sociaal- en andere democraten zich, anders dan de Denen, niet uitgeleverd aan de rechtse agenda, maar zich ook niet, zoals de Zweden, vastgeklampt aan een failliet multiculturalisme. Voorbij de verkettering heeft men daar ook de kritische en democratische kanten van het populisme leren waarderen. Dat land heet Nederland. Ook dat kan misschien als een postume verdienste van Pim Fortuyn worden beschouwd.

Rinke van den Brink: In de greep van de angst. De Europese sociaal-democratie en het rechtspopulisme. Houtekiet, 568 blz. €22,–

    • Dick Pels