Heimwee naar Paars

Op de school van mijn zoon hebben ze een zogeheten continu-rooster. De lunchpauze duurt drie kwartier en in die drie kwartier worden de leerlingen begeleid door een leidster van een naburige naschoolse opvang of door hun eigen leerkracht. De kinderen eten hun broodtrommel leeg en mogen daarna nog even tekenen, voetballen of luisteren naar het voorlezen, afhankelijk van het weer. Tijdens de lunchpauze gelden de normale schoolse gedragsregels, zij het dat er tijdelijk niet hoeft te worden gerekend.

Hoezeer wij hiermee geboft hebben, besefte ik bij het lezen van het eerder dit jaar verschenen boek Overgebleven werk. Kinderen tussen de middag op school van de Amsterdamse sociologe Rineke van Daalen. Zij beschrijft de overblijfpraktijk op een aantal basisscholen in de Randstad, waar de lunchpauze nog één tot anderhalf uur duurt. De leerkrachten trekken zich klokslag 12 uur terug uit de klas en laten de leerlingen over aan karig betaalde, semi-vrijwillige overblijfkrachten.

Soms zijn dat slecht Nederlands sprekende allochtone vrouwen die blij zijn dat zij op deze manier even aan het alziend oog van hun echtgenoot kunnen ontsnappen. Tot veel overleg met de kinderen zijn zij niet in staat en voorlezen in het Nederlands gaat vele bruggen te ver. Andere overblijfkrachten zijn laaggeschoolde moeders die het overblijflokaal bestieren als was het hun eigen huishouding: je sopt wat, je draait een wasje, en ondertussen voed je zo nu en dan een beetje op.

Dat is een manier van werken die thuis, met een, twee of drie eigen kinderen en een of meer lease-kinderen (vriendjes, buurmeisjes) prima voldoet, maar die in een groep van vijftien of nog meer overblijfkinderen niet vol te houden is. Iemand die enige tijd de leiding heeft over een grote groep kinderen moet nadenken over een programma, ook al gaat het om hun vrije tijd. Wie dat niet doet, wordt geconfronteerd met kinderen die zich vervelen of gaan lopen klieren.

Van Daalen signaleert ook dat kinderen van hoogopgeleide tweeverdieners neerkijken op de overblijfkrachten. Zij denkt dat dit komt doordat de overblijfkrachten door het officiële personeel van de school (de schooldirecteur en de leerkrachten) niet voor vol worden aangezien. Kinderen nemen deze respectloze houding over en gaan zich tussen de middag misdragen op een manier waar hun ouders van zouden schrikken als ze het zouden weten. Maar ze weten het niet, constateert Van Daalen. Ze zien immers nooit een overblijfkracht, er zijn geen rapportcijfers voor gedrag tijdens het overblijven, er zijn geen ouderavonden met de overblijfkracht en de juf of meester houdt zelden in de gaten hoe de leerlingen zich opstellen ten opzichte van de overblijfmoeder.

Op sommige scholen wordt een flink deel van de overblijftijd besteed aan administratie, aangezien ouders per lunchpauze moeten betalen en er dus telkens moet worden bijgehouden wie er wel en niet op tijd zijn rekening heeft voldaan. De tijd en energie die de overblijfkracht daarin moet stoppen, gaat af van pedagogische begeleiding en het toezicht op de kinderen.

Indachtig al deze misère was ik geneigd mee te voelen met de terughoudende reacties van minister Van der Hoeven op het plan van VVD-fractieleider Van Aartsen om scholen te verplichten per 2007 ook voor- en naschoolse opvang aan te bieden. Een heerlijk plan natuurlijk; een sluitend dagprogramma op school zou een godsgeschenk zijn voor werkende ouders, maar ik kon me wel voorstellen dat Van der Hoeven er weinig in zag. Gegeven deze wantoestanden bij de tussenschoolse opvang maakte zij zich vast zorgen over de kwaliteit van de voor- en naschoolse opvang die daarnaast ook nog eens zou moeten worden georganiseerd, zo nam ik aan. Eerlijk gezegd vond ik het al bijna onheus van de VVD-voorman om deze reactie van de bewindsvrouwe af te doen als kwaadwillend christen-democratisch geneuzel.

Totdat ik mij verdiepte in de parlementaire behandeling van de tussenschoolse opvang onder Van der Hoeven. Wat blijkt? Eind 2004 hebben de linkse fracties in het parlement een motie ingediend waarin zij pleitten voor kwaliteitsverhoging van de tussenschoolse opvang door onder meer scholing en professionalisering van de overblijfkrachten. Van der Hoeven veegde deze motie van tafel. De tussenschoolse opvang was volgens de minister een zaak van ouders en schoolbesturen en aan deze lichte constructie ging zij van overheidswege zeker geen kwaliteitseisen toevoegen. Als de overheid dergelijke eisen ging stellen, zou zij immers ook opdraaien voor de kosten en daarvan kon beslist geen sprake zijn.

Gezien deze geschiedenis klinken de zorgen van de minister over de kwaliteit van de door Van Aartsen bepleite voor- en naschoolse opvang hypocriet. Van Aartsen heeft waarschijnlijk meer oog voor de kwaliteit van de opvang dan Van der Hoeven, getuige ook zijn verzekering op de opiniepagina van deze krant dat hij vooral uitkeringsgerechtigden met een onderwijsachtergrond wil inzetten en niet zomaar iedere werkloze tuinman of systeemanalist (NRC Handelsblad, 28 september).

En zomaar opeens had ik heimwee naar Paars.