Een frivole bekeuring

Deze week moesten bij een zogeheten `bulkzitting' bij de Utrechtse kantonrechter 250 overtreders van de algemene identificatieplicht voorkomen. Zij weigerden de schikking van 50 euro of 25 euro (voor minderjarigen) te betalen. Een bonte stoet van zaken tegen bajesklanten, kruimeldieven, fietsers zonder licht, vreemdelingen, rokers, zwartrijders, wildplassers, junkies, verboden toegang-overtreders, bedelaars, daklozen en dronkelappen werd ter zitting behandeld. Het is een kleine doorsnee uit de ruim 50.000 boetes die de politie dit jaar voor dit nieuwe delict heeft uitgeschreven en die de burger meestal zonder een gang naar de rechter voldoet. Het is tevens een eerste test van het maatschappelijk bereik van de wet, een proeve van het politieoptreden en dus een beeld van het gedrag dat het parket en incidenteel nu ook de rechter afstraft.

Hoe zou deze nieuwe wet ook alweer worden toegepast? Volgens de aanwijzing Uitbreiding identificatieplicht van het openbaar ministerie van vorig jaar december mocht de politie alleen in het kader van een `redelijke taakuitoefening' de burger om z'n bewijs van identiteit vragen. Daarbij werden de volgende voorbeelden gegeven. Personen die zich 's nachts op verlaten industrieterreinen bevinden, getuigen na een schietpartij in een café, een nieuwe drugsdealer in een bekende groep, overlastgevende hangjongeren, toeschouwers bij een aangestoken brand onder wie de pyromaan wordt vermoed, bij dreigende rellen of onrust op straat (voetbal, manifestaties).

Gezien de selectie die de Utrechtse kantonrechter nu behandelde, wekt het geen verbazing dat de meeste overtreders die kwamen opdagen vrij werden gesproken. In de dagelijkse praktijk lijkt de bekeuring wegens het niet kunnen tonen van een identiteitsbewijs een makkelijke extra sanctie te zijn voor de agent die al een overtreding heeft geconstateerd. Wat dit voor gevolgen heeft voor de aanvaarding van het gezag van de overheid bij de burger, laat zich raden. Zoals prof. Buruma het onlangs in het Nederlands Juristenblad uitdrukte: ,,Het gaat hier om sanctionering van vergrijpen die nauwelijks strafwaardig zijn. De subsocialiteit ontbreekt volledig.'' Het maatschappelijk draagvlak voor de identificatieplicht, toch al zwak, wordt door een kennelijk frivole toepassing verder uitgehold.

Het vragenvan een identiteitsbewijs aan een ieder op de openbare weg is op zichzelf genomen een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de burger. Die is immers een recht op vrijheid van beweging toegekend. Dat mag alleen worden beperkt als daarvoor in de terminologie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens een `dringende sociale noodzaak' kan worden aangetoond, zoals de Nederlandse Vereniging van Rechtspraak vorig jaar in herinnering bracht. Er lijkt zich nu een praktijk voor te doen waarin dat niet het geval is. De richtlijnen van Justitie worden zó algemeen toegepast dat zelfs maar het begin van een sociale noodzaak lijkt te ontbreken.