Dit doek eist overgave

Hartstocht beheerst de levens van Rascha Pepers personages. In Rico's vleugels (1993) blijkt de passie van een verzamelaar niet alleen gericht op zijn kostbare schelpen. In Russisch blauw wordt de held van het verhaal gefascineerd door het lot van de laatste tsaar. In Dooi raakt een uitgebluste vertaler geobsedeerd door de aantrekkelijke schaatster met wie hij een kortstondige affaire heeft. En in de laatste en dikste roman van Rascha Peper, Wie scheep gaat (2003), inspireert een eigenzinnige vrouw zelfs postuum haar familieleden tot gepassioneerde daadkracht. Het leven is hunkeren, lijkt Peper te willen zeggen – en het maakt eigenlijk niet uit als dat op niets uitloopt.

Ook de hoofdpersoon van Pepers nieuwe novelle Verfhuid wordt door hartstocht meegesleept, al heeft hij zich stilletjes voorgenomen om zijn leven er niet door te laten leiden. Arnold Kee is een Amsterdamse handelaar in negentiende-eeuwse kunst, een homoseksueel met een jongere vriend en een kabbelend bestaan. Totdat hij op een dag te maken krijgt met het eigenaardige gedrag van een van zijn vaste klanten. Deze half-Duitse zonderling, Terwindus, nodigt hem uit om bij hem thuis te komen kijken naar een kostbaar schilderij dat hij gaat uitlenen aan een tentoonstelling in Keulen. In Terwindus' appartement ziet Kee niet alleen het bewuste schilderij – van de Duitse romanticus Caspar David Friedrich – maar ook tal van andere kunstwerken, waarvan hij er ten minste één als gestolen herkent.

Langzaam komt Kee erachter dat de oude man wel meer geheimen verbergt, en ook dat de oude verzamelaar een zeldzame liefde voor zijn verzameling aan de dag legt. Terwindus is de illustratie van wat Kee's vader op zijn sterfbed tegen zijn zoon heeft gezegd: `Er zijn schilderijen die de liefde, de hartstocht, de hele zin van iemands leven kunnen uitmaken [...] Dat heeft niets met de stoffelijkheid van linnen, hout of verfhuid te maken [...] Zulke schilderijen zijn echte femmes fatales, die eisen volledige overgave.' Geen wonder dat Terwindus ontroostbaar is wanneer zijn geliefde Friedrich iets overkomt; hij verdrinkt zichzelf in de Amstel, gewikkeld in de verfhuid van het verminkte schilderij.

`Zo veel doodsverachting', mijmert Kee na de dood van Terwindus; `zo veel Todesmut, in zo'n houten klaas over wie hij altijd een beetje meesmuilend had gedaan. Deze man had toch maar de uiterste consequentie aangedurfd, zich niet bangelijk betoond.' De jaloezie die in deze gedachte doorklinkt is gemeend, want Kee is in het tijdsbestek van een jaar steeds ontevredener met zijn leven geworden. Niet alleen omdat hij de oppervlakkigheid van zijn relatie met de modebewuste Pascal inziet, maar vooral omdat hij genoeg heeft van zijn eigen vlakheid. `Wat een zacht ei was hij,' denkt hij wanneer hij `met al zijn scrupules' een kans voorbij heeft laten gaan om een zakelijke slag te slaan. En niet lang daarna: `Hij was zo keurig. Hij was zo keurig dat wie snel geld wilde zien niet aan hem dacht. Zo godvergeten kut-kankerkeurig, so verdammt anständig, dat de hele zolderkamer van Terwindus nu aan een opkoper verpatst was!'

Kee is een `Mann ohne Leidenschaften'; maar hij zou geen personage van Peper zijn als dat zo bleef. In de laatste bladzijden van de novelle ontwikkelt hij een passie voor een van de schilderijen uit de boedel van Terwindus, een herderstafereel dat hij zowaar op een slinkse manier in zijn bezit krijgt. Het is natuurlijk geen toeval dat op het schilderij een jongetje staat afgebeeld, want als Kee één echte wens heeft dan is het een kinderwens. Eerder hebben we gezien hoe hij van zijn stuk raakt als hij een adoptiekaartje krijgt van een bevriend homostel, hoe hij Pascal vergeefs voor adoptie probeert te interesseren, hoe hij zwijmelt als hij een vader en zoontje uit een auto ziet stappen en hoe jaloers hij is op zijn zuster, die bij de begrafenis van hun moeder is `omringd door haar drie kinderen als enige doorgeefster, enige voortzetter van het leven van hun ouders'.

De gedaanteverwisseling van Arnold Kee – van man in de marge tot iemand die `in Extase schwebt' – wordt door Peper overtuigend beschreven, in een stijl die even elegant en rechttoe-rechtaan is als die van de negentiende-eeuwse schilders waar Kee in handelt. De enige uitspatting die Peper zich in haar proza permitteert is het Duits waarmee ze het taalgebruik van Terwindus kleurt; Verfhuid is dan ook niet het soort boek waaruit je eindeloos treffende of humoristische passages wil citeren. De novelle heeft veel te bieden, maar geen hartstocht – iets wat in het licht van Pepers grote thema des te meer opvalt. Kom op! zou je de schrijfster willen toevoegen. Niet zo verdammt anständig, sleep ons mee, schud ons wakker, kleur eens wild buiten de lijntjes, geef ons stilistische Sturm und Drang. Want alleen dán zal het lot van de Kees en Terwindussen van deze wereld ons langer bezighouden dan de tijd die het kost om hun verhalen te lezen.

Rascha Peper: Verfhuid. Nieuw Amsterdam, 144 blz. €14,95 (geb.)

    • Pieter Steinz