De nar bekroond

Rumoer hoort bij de Nobelprijs voor Literatuur. In de aanloop naar de bekendmaking van de nieuwe laureaat een korte serie over controversiële winnaars. Deze week: Dario Fo, winnaar in 1997.

Negen oktober 1997. Dario Fo ontdekte rijdend op de snelweg dat de Nobelprijs voor Literatuur aan hem was toegekend. Een vriend haalde hem in en hield een bord omhoog: `Dario, je hebt de Nobel!'

Fo is wereldberoemd wegens toneelstukken als Mistero Buffo, Toevallige dood van een anarchist en Obscene fabels. Hij is de man van legendarische theaterregies, ook in Nederland, waar hij met groot succes twee Rossini-opera's regisseerde voor de Nederlandse Opera. Hij is acteur. Alleskunner, allesdoener. Hij is voor alles een satiricus; gesel van de hypocrieten in de kerk, staat en politiek; provocateur; verdediger van weerlozen. Dario Fo (Italië, 1926) is omstreden, maar zelfs zijn felste tegenstanders kunnen niet anders dan zijn kunstenaarschap erkennen.

Maar de Nobelprijs voor Literatuur? Voor zo'n clown? Voor iemand voor wie het woord belangrijk is maar beslist niet heilig? Want als een voorstelling erom vraagt, staat Fo wijzigingen toe, daar kan hij niet mee zitten. Voor menig schrijver en voor menig criticus is dat alleen al een onduldbare gedachte.

Wenkbrauwen werden gefronst. Roddels van stal gehaald. Messen geslepen.

En dat snelwegverhaal? Het klinkt goed, Fo heeft het bevestigd. Maar is het waar? Alleen als je er niet te veel over nadenkt. (Hoe wist die vriend waar Fo reed of reden ze achter elkaar en hoorde de vriend het op de autoradio? Hoe hard reden ze? Wanneer beschreef die vriend dat bord met `Dario, je hebt de Nobel!'? Over welke snelweg hebben we het eigenlijk? Bestuurde de vriend een open sportwagen of hield hij het bord, sturend met zijn rechterhand, met zijn linker uit het raampje terwijl hij Fo dwong tot bumperkleven? Was dat bord van karton? Waaide het dan niet dubbel, of weg? Wat voor weer was het eigenlijk in Italië op die negende oktober?)

Se non è vero è ben trovato, zegt de Italiaan, als het niet waar is, is het goed gevonden. Oftewel: waar of niet waar, het doet er niet toe.

En dat is waar.

Want waarheid of verzinsel, de legende van de snelweg illustreert nauwgezet het karakter van de Fo's kunstenaarschap. Het verhaal ís Fo. Ga maar na. De legende is theatraal in orde (je ziet een kant-en-klare feestscène voor je, eerst op de weg, met toeteren, zwaaien en uitmondend in het op stelten zetten van een benzinestation); het verhaal accentueert Fo's afstand van salons en ivoren torens en zijn vanzelfsprekende aanwezigheid in het meest normale hier en nu (wat is er meer doorsnee dan autoverkeer); het onderstreept het belang van vrienden en bekenden, van sociaal verkeer, van maatschappelijk functioneren. En het verhaal is grappig – vooral dat is cruciaal. Immers: een ernstig onderzoek naar de macht van de lach, dat streeft Dario Fo na in al zijn werk.

Al zijn stukken, monologen en vertellingen drijven op heilige verbazing en steeds komt die uit bij een gulle lach. Wie niet kan lachen, kan niet denken.

Aangebrand

Direct na bekendmaking van Fo's bekroning regende het negatieve reacties. In Italië onderging het Vaticaan de Nobelprijs voor hun criticaster als een klap in het gezicht; politici deden hem af als een over het paard getilde linkse propagandist; de respectabele dichter Mario Luzi, vaak genoemd als kandidaat voor de Nobelprijs, reageerde aangebrand (,,Het zit me tot hier''); vooraanstaande critici in Italiaanse dag- en opiniebladen betwistten Fo's literaire gehalte. Ze hekelden hem als iemand die vooral Italië's folkloristische stereotypen bevestigt omdat hij zijn stukken en regies meestal baseert op de commedia dell'arte.

Ook internationaal was er heftige kritiek. `Absurd' noemde deze krant zijn Nobelprijs in een commentaar. `In Fo is misschien een genie geëerd, en een groot kunstenaar, maar geen schrijver. Als er dan een vreemde eend bekroond moest worden', vervolgde het artikel, `waarom niet Bob Dylan?'

Ja, waarom Dylan niet? Het antwoord verwaaide in de wind.

Het merkwaardige was dat de voorstanders van de prijs zo'n beetje om Fo's literaire kwaliteiten heendraaiden. Ik ook. We roemden zijn theater, haalden herinneringen op aan onvergetelijke voorstellingen, legden uit dat toneelschrijfkunst direct verwant is aan de dichtkunst en dat Fo's taal en zijn toneel elkaar tot ongekende bloei brengen. Maar: `Fo's toneelstukken kunnen nauwelijks zelfstandig gelezen worden, ze zijn onlosmakelijk verbonden met de uitvoering', veronderstelde ook een recensent in NRC Handelsblad.

De vraag is of de voor- dan wel de tegenstanders destijds in de hitte van het moment de tijd namen om Fo te (her-)lezen. Wie had hem bij de hand? Zijn teksten in Nederlandse vertaling werden door de jaren heen verspreid gepubliceerd. In losse boekjes die je koopt bij een voorstelling, en zo'n deeltje valt al snel achter de boekenkast.

Drie jaar na zijn Nobelprijs, in 2000, bracht uitgeverij De Geus twee delen verzameld toneelwerk uit, vertaald in het Nederlands. Sindsdien kan iedereen het vaststellen: Dario Fo schrijft prachtig. Zijn vermogen om te spelen met taal is majestueus, zijn liefde voor het woord gepassioneerd. Fo's stukken, of ze nu voldragen toneelstukken zijn, monologen of vertellingen, hebben in schijn een losse structuur. Maar hun schrijver, opgeleid als architect, stak ze in elkaar en schreef hechte bouwwerken.

Mistero Buffo, in Nederland bekend dankzij de Vlamingen, de Italianen van de lage landen, is hedendaags volkstheater geïnspireerd op het middeleeuwse passiespel. Voor Fo liggen beeld en taal in elkaars verlengde, het stuk varieert ook op de schilderijen van Brueghel. Het is kluchtig en boertig, maar niet altijd. Soms herken ik in ingehouden scènes de rust en de treurnis van Jan Van Eijck, zoals in het statige, bijna huiselijke tafereel waarin Maria ontdekt wat er met Jezus, voor haar gewoon haar zoon, gebeurt.

Lees dan het slot. Maria heeft haar zoon zien sterven. En daar is Gabriël, de engel die haar ruim 33 jaar geleden deze zoon heeft gebracht. Hij is een lichtmis als je het Maria vraagt: `O! Gabriël, jij met je jong en lieflijk gelaat, met je stem gelijk een verliefde bloesem, jij bent de eerste geweest om mij te bedriegen met je verhaaltjes!...' (vert. Lode Verstraete).

Fo gaat verder. Gabriël wordt weggezet als een rijkeluiszoon die altijd terug kan naar zijn veilige milieu, terwijl een eenvoudige vrouw als Maria het moet redden in `deze wereld die op krukken loopt.'

Gabriël verontschuldigt zich. `...Al te best begrijp ik de foltering die je meemaakt, als je kijkt naar de jonge heer God, genageld op het kruis...'

Maar zo komt hij niet van haar af. Hij heeft geen barensnood gekend, hij heeft het kind niet gevoed.

`Heb jij van angst gezweet toen hij ziek was en koorts had? Ben jij 's nachts wakker gebleven toen hij schreide om de eerste melktanden? Nee, Gabriël, als jij die kleine tol niet betaalde mag je niet zeggen dat je mijn leed kent op dit ogenblik.'

Ze heeft hem tuk. Met moederwoorden. Schreien. Melk. Melktanden. Koorts. Ziek. Fo is iemand die de kracht van het woord onderkent en honoreert. Dus: dit is geen heilige maagd, hier spreekt een moeder, beurs van verdriet. Een moeder die heeft moeten aanzien hoe haar kind werd mishandeld en vermoord. Een rouwende moeder zoals ze overal voorkomen, in Irak, op de Balkan, in Gaza, in Schiedam.

Ook de Obscene fabels (1982), vulgair en geestig en vol wijsheid over de malle menselijke soort, denderen voort op de wielen van de volkstaal. Vlaams, voor Nederland.

`Jeanotte Pier was 'n schaaphoeder, 'n geitenkoeier. In 't vetste groen van de alpenwei leefde hij helemaal alleen (). In het begin had hij meer dan eens geprobeerd met die schapen en die geiten te babbelen. Maar ja, () hun vocabulaire is tamelijk beperkt () en zo is Jeanotte Pier vrij rap tot de constatatie gekomen dat hij het beter kon vergeten. En dat ging vlug. (Uit De poezemuis. Vert. Filip Vanluchene. Bewerkt door Jean Decleir.)

Het ene verhaal stuwt het volgende op. Ontsnappen is geen optie, niet voor het publiek in de zaal en ook niet voor de lezer.

Jezus als ster

Dario Fo laat zich meestal inspireren door specifieke situaties en gebeurtenissen, maar wat hij doorlicht en vaststelt is soms onverwachts houdbaar. Zo stelt hij in Mistero Buffo de opwekking van Lazarus voor als een reality-show, met Jezus als ster – direct herkenbaar, ook al had in 1969 nog niemand van zoiets gehoord. En de Nederlander die Toevallige dood van een anarchist (1970) leest, kan zich niet onttrekken aan een associatie met de recente heibel rond het openbaar ministerie, met vooringenomenheid als kwaal en het manipuleren van getuigen en verdachten als symptoom.

Fo spotte en lachte de gekrenkte reacties op zijn Nobelprijs weg. Zijn persconferentie greep hij aan om aandacht te vragen voor acteurs in Turkije, China en Algerije die werden vervolgd wegens het spelen in zijn stukken. Op de veroordeling van zijn Nobelprijs door het Vaticaan antwoordde hij: ,,Een nar is bekroond, maar vergeet niet, kerk, hoevel narren je hebt doen hangen.'' En bij de plechtigheid in Stockholm bedankte hij met een knipoog in zijn, met cartoons geïllustreerde, speech de Nobelprijsjury voor hun ,,moedige daad die grenst aan provocatie''. Hij werd ernstig toen hij vaststelde: ,,De macht houdt niet van lachen'', en toen hij het belang voor zijn werk benadrukte van zijn echtgenote Franca Rame, met wie hij zijn hele carrière heeft samengewerkt. Ook omschreef hij de ontwikkeling van zijn schrijfkunst: ,,() ik heb geleerd om me te bevrijden van conventioneel literair schrijven en om me uit te drukken in woorden waar je op kunt kauwen, met ongebruikelijke klanken, met verschillende technieken van ritme en adem ().''

Terug in Italië spendeerde hij het geld van de Nobelprijs (rond de twee miljoen gulden) aan een stel busjes voor gehandicaptenvervoer. Vervolgens ging hij door met het schrijven en ensceneren van geruchtmakende stukken en het via zijn website (www.dariofo.it) verspreiden van bijtend commentaar in zijn met vrouw en zoon Jacopo gedeelde rubriek Il c @ c @ o della domenica.

Afgelopen voorjaar maakte hij Lanomalo bicefalo, een onverwoestbaar gedocumenteerd toneelstuk, waarin hij, uiteraard samen met Franca Rame, premier Silvio Berlusconi onsterfelijk belachelijk maakte. In een proloog legde hij uit dat ze steeds opnieuw moesten beginnen met het schrijven van dit stuk. De waanzin van modern Italië viel nauwelijks bij te benen: ,,Wij schreven een tekst en Berlusconi jatte hem en voerde hem uit.''

Dit is de laatste aflevering in de serie `De Nobel-rel'. Volgende week donderdag wordt bekend wie de Nobelprijs voor Literatuur 2005 krijgt. Zie voor eerdere afleveringen www.nrc.nl.

Dario Fo, Toneelwerken 1 en 2. Ingeleid door Charles Cornette, Frans Roth en Filip Vanluchene (tevens vertalers). Uitg. De Geus, 2000.

    • Joyce Roodnat