De herder van de doopsgezinden

Zonder Abraham Kuyper geen gereformeerden, zonder Klaas Schilder geen vrijgemaakten en zonder Samuel Muller geen doopsgezinden. Muller speelde in de eerste helft van de negentiende eeuw een nauwelijks te overschatten rol bij het ontstaan en de ontwikkeling van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit. Als hoogleraar aan het doopsgezind seminarie in Amsterdam drukte hij zijn stempel op verscheidene generaties doopsgezinde voorgangers, die hij ook na hun afstuderen bleef begeleiden.

Over de betekenis van deze `Menniste paus', zoals hij door zijn tegenstanders werd aangeduid, heeft theoloog Annelies Verbeek een onderhoudend proefschrift geschreven, dat een helder beeld verschaft van de persoonlijkheid en de positie van Samuel Muller, en bovendien inzicht geeft in de opleiding en de positie van predikanten en het debat in doopsgezinde kring.

Doopsgezinden of mennonieten vormen een afzonderlijke stroming in het protestantisme naast calvinisten, lutheranen en remonstranten. Zij kennen, net als de veel rechtzinniger baptisten, geen kinderdoop en weigeren de eed af te leggen.

Samuel Müller werd in 1785 in het Duitse Krefeld, vlak bij de grens met Nederland, geboren in een piëtistisch doopsgezinde familie. Krefeld was een religieuze vrijplaats voor mennonieten uit Nederland en Zwitserland. Al op zijn negende wees, werd hij ondergebracht in een oudemannen- annex weeshuis, waar hij naar eigen zeggen een weinig gelukkige tijd beleefde. De doopsgezinde gemeente in Amsterdam verstrekte studiebeurzen aan armlastige jongemannen die predikant wilden worden. Hoewel hij daartoe geen roeping voelde, greep de 12-jarige Samuel deze kans met beide handen aan. Hij volgde eerst een middelbare-schoolopleiding in Krefeld en verhuisde vier jaar later naar Amsterdam, waar hij werd toegelaten tot de doopsgezinde opleiding van de Amsterdamse gemeente.

De theologische opleiding van de doopsgezinden stond toen sterk in de traditie van de Verlichting. In Gods schepping en in de natuurwetten kon men de volmaaktheid van God aantreffen. Kennis van de natuur bracht niet alleen vooruitgang, maar zou de mens ook dichter bij de goddelijke volmaaktheid brengen. In de eerste twee jaar van de studie werd uitgebreid wis- en natuurkunde gegeven. Pas in de tweede fase van de studie verschoof het accent naar theologische vakken als exegese, dogmatiek en filosofie.

Na zijn afstuderen in 1806 nam Samuel Muller, die inmiddels de umlaut in zijn achternaam had laten vallen, het beroep aan naar de zeer vrijzinnige doopsgezinde gemeente van Zutphen. Na drie jaar verkaste hij naar Zaandam-Oost, een gemeente van meer dan tweehonderd leden, die vermogend was en over een eigen weeshuis beschikte. In 1811 was hij als aspirant-bestuurslid betrokken bij de totstandkoming van het doopsgezinde kerkgenootschap in Nederland, de `Algemeene Doopsgezinde Sociëteit tot bevordering van de predikdienst', die ook verantwoordelijk werd voor de opleiding van predikanten. De Amsterdamse doopsgezinden waren door de eenzijdige reductie van de staatsschuld onder Napoleon zo verarmd dat zij hun lokale theologische kweekschool niet meer uit eigen middelen konden bekostigen.

In 1827 werd Muller hoogleraar aan de doopsgezinde opleiding, waaraan hij tot ver na zijn pensionering in 1856 verbonden zou blijven. Muller heeft zich steeds verzet tegen de orthodoxe tendensen in de doopsgezinde gemeenten. Hij vond vrijheid van denken een groot goed en was wars van dweperij en een overmaat van sentiment in geloofszaken. Godsdienst was voor hem een zaak van `redelijk nadenken en bedaard onderzoek', zonder dat hij overigens in de puur vrijzinnige hoek terechtkwam.

In de eerste helft van de negentiende eeuw raakten ook de doopsgezinden onder invloed van het Reveil en de Afscheiding, twee stromingen die zich vooral keerden tegen het moderne, rationalistische karakter van de prediking in de Nederlandse Hervormde Kerk. Doopsgezinde predikanten die zich afkeerden van het rationalisme en meer tot het hart van hun toehoorders gingen spreken, begonnen volle kerken te trekken. Tot ontzetting van de echte doopsgezinden liepen hun zondagse diensten vol hervormden die snakten naar orthodoxe preken die de ziel stichtten. De doopsgezinde Willem de Clercq kwam zo in de kringen van het Reveil rond Isaac da Costa terecht en liet, geheel in strijd met de doopsgezinde traditie, een doodziek kind dopen.

Mullers kracht lag overigens niet zozeer in het theologiseren, maar vooral in zijn bestuurlijke capaciteiten. Hij liep als een herdershond om zijn doopsgezinde kudde, zo kwalificeert Verbeek zijn optreden. Hij heeft ertoe bijgedragen dat de mennonistische theologie nationaal en internationaal voor vol werd aangezien. Bovendien heeft hij als emancipator de doopsgezinden een meer vooraanstaande plaats in de maatschappij gegeven. Teyler (van het museum in Haarlem), Cnoop Koopmans en De Hoop Scheffer waren maatschappelijk prominente doopsgezinde namen in de achttiende en negentiende eeuw. Muller leverde ook bijdragen aan literaire bladen en stond aan de wieg van een herziene versie van de Statenvertaling van de bijbel.

Op het terrein van de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme heeft uitgeverij Verloren te Hilversum de laatste jaren naam gemaakt met een reeks van informatieve en uiterst leesbare boeken. Verbeeks uitgebreide biografie over Samuel Muller vormt een waardevolle aanvulling en verbreding van dit fonds.

Annelies Verbeek: Menniste Paus, Samuel Muller en zijn netwerken. Verloren, 364 blz. €33,