Wanorde en corruptie in Basra

Irak kan de opbrengsten uit de olie goed gebruiken, maar de bevolking van de provincie Basra blijft verstoken van het geld. Iedereen heeft zijn eigen belangen, waardoor er weinig gebeurt. De miljarden die nodig zijn voor de wederopbouw van de provincie Basra blijven onzichtbaar. ,,We zien dit met lede ogen aan.''

Op sommige straten en pleinen van de zuidelijke havenstad van Irak, Basra, ligt het huishoudelijk afval metershoog opgetast. Uit grote poelen rioolwater stijgt in de bloedhitte een rottende stank op. Met ruim 1,5 miljoen inwoners is Basra de tweede stad van het land. Dankzij de ligging langs de Shatt al-Arab, de strategisch belangrijke waterweg naar de Perzische Golf, en de prachtige kanalen stond de stad vroeger bekend als `het Venetië van het oosten'. Nu roept ze vooral een beeld op van permanent verval, het kwalijke gevolg van de systematische economische en sociale achterstelling van deze Golfprovincie door het regime in Bagdad. Saddams Ba'th-partij stond erg vijandig tegenover het overwegend shi'itische en rebelse Basra. Deze achterstelling is met de bezetting door de Amerikanen en Britten alleen maar erger geworden, ondanks de toestroom van geld en goederen voor de wederopbouw van de haven.

Basra, hoofdstad van de gelijknamige provincie, is omwille van haar strategische ligging aan de monding van de Shatt al-Arab en de doorvoer van olie van cruciaal belang voor de Iraakse economie en voor de logistieke ondersteuning van het post-Saddam regime. Dat hadden de Amerikanen en Britten begrepen: meteen na de val van het vorige regime maakten zij een begin met het verwijderen van de mijnen uit de wateren rond Basra en het herstel van de haven.

In de provincie Basra bevinden zich ook de gigantische Rumaila-olievelden, vlakbij de grens met Koeweit. Irak is het land met de tweede grootste bewezen olie-reserves ter wereld. Momenteel produceert het land ongeveer 2 miljoen vaten per dag, ver onder zijn maximum-capaciteit, en het exporteert volgens het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken om en nabij de 1,4 miljoen vaten ruwe olie per dag. Het leeuwendeel van de Iraakse olie-export wordt nu opnieuw via de olieterminals van Basra naar de Golf verscheept. In Basra bevindt zich bovendien de enige Iraakse diepzeehaven, Umm Qasr, geschikt voor containers, algemene cargo en voedseltransport, dertig kilometer ten westen van de provinciale hoofdstad en vlakbij de grens met Koeweit.

Na de Golfoorlog van 1991 hebben de Verenigde Naties de grens tussen Irak en Koeweit opnieuw getekend. Die loopt nu tot vlakbij de haven Umm Qasr. Daarmee heeft Koeweit een stuk grond in bezit gekregen waar oliebronnen zitten. Dit grensgebied blijft een potentiële splijtzwam. Twee maanden geleden kwamen mensen uit Umm Qasr er protesteren toen de Koeweit wilde beginnen met de bouw van een bredere grensafscheiding, die volgens de Irakezen op hún grondgebied kwam te liggen. De werkzaamheden werden na onderhandelingen opgeschort, maar, zegt gouverneur Mohammed Musabah al-Waili van Basra, ,,dit zal voor altijd een potentiële casu belli blijven''. Er zijn nog meer `historische' redenen voor wrevel. Zo betaalt Irak nog altijd 5 procent van zijn olie-inkomsten aan Koeweit als compensatie voor de oorlogsschade na de invasie van Koeweit in 1990.

Al-Waili (43) is een nieuwkomer in de politiek. Hij bekleedt deze positie nu ruim een half jaar en hij staat relatief onafhankelijk tegenover de nieuwe machthebbers. Zijn baan is niet zonder risico's: een van zijn voorgangers is vorig jaar door opstandelingen doodgeschoten. Al-Waili riep in juli de 15.000 havenarbeiders van de olieterminal, leden van de Algemene Unie van Oliewerkers, op tot een eendaagse staking om de centrale overheid te dwingen meer middelen ter beschikking te stellen van zijn achtergestelde provincie. Al-Waili wil niets minder dan financiële autonomie voor de zuidelijke provincies en voor de shi'ieten – een groter deel van de Iraakse olie-koek voor het zuiden, zeg maar. Aangezien zo'n 70 procent van de Iraakse olie-export via Basra en de Golf wordt verscheept, is zelfs het dreigen met een staking in de olieterminals van Basra een stevig drukmiddel.

Waarom wil een gouverneur zijn eigen provincie in rep en roer zetten door tot een staking op te roepen? ,,De problemen waarmee wij worstelen hebben we geërfd van mijn voorgangers'', zegt hij stellig. ,,Zij kregen geen middelen van Bagdad en legden zich daar bij neer. Ze hebben de bevolking van Basra gewoon aan haar lot overgelaten. Een schandalig verzuim. Zelf heb ik van deze regering evenmin een dinar of een dollar gekregen, ook al komt ongeveer 85 procent van het BNP uit deze provincie. Het provinciebestuur moet het uitsluitend met particuliere donaties zien te redden. Vandaar de staking. De situatie wordt met de dag erger, de mensen zijn het spuugzat. Als we niet de economische toestand en de openbare dienstverlening in Basra snel en drastisch verbeteren, gaan we ten onder'', zegt hij bezwerend.

Mocht er inderdaad geld komen van de centrale overheid, dan heeft Al-Waili een lijst met praktische noden: ,,Om te beginnen moeten we iets doen aan de hygiëne in de stad. De riolering moet vernieuwd. Er moet weer elektriciteit zijn. En we moeten snel de gezondheidszorg en de massale werkloosheid aanpakken.''

De Iraakse economie is na de Golfoorlog van 1991 en de sancties van de Verenigde Naties ingestort. Het land is nu volledig afhankelijk van de olie-inkomsten. Die moeten onder meer de rekening dekken van de internationale troepenmacht en de wederopbouw, naast bovengenoemde compensatiebetalingen aan Koeweit. Maar met de wederopbouw wil het niet vlotten en ook de veiligheidstoestand verbetert niet wezenlijk.

Basra vormt met zijn opslagtanks, pijpleidingen en schepen de slagader van het land. De toekomst van Irak hangt dan ook voor een groot deel af van de havenactiviteiten in en rond deze stad. De olie-export vanuit Basra krijgt inderdaad absolute voorrang van de regering in Bagdad en van de Amerikanen, maar de stad en de provincie profiteren daar niet van. Er komen weinig of geen banen uit voort en de winst gaat naar de hoofdstad of naar buitenlandse investeerders.

Ondertussen laten de Amerikanen en de toeleveringsbedrijven die actief zijn in de logistieke militaire operatie in Irak en in de civiele wederopbouw Iraks enige niet-oliehaven, Umm Qasr, links liggen. Die zou veel te gevaarlijk zijn. Een vreemde redenering, aangezien Basra net zo veel last zou moeten hebben van de aanslagen. Medio juni bestormden gewapende piraten een supertanker bij een van de terminals, eind mei werd de tanker Nord Millennium, 300.000 ton, aangevallen toen hij voor anker lag in Basra en vorig jaar voerde Al-Qa'eda hier in het havengebied een aantal zelfmoordoperaties uit met snelle bootjes.

Van alle kanten barst de kritiek los op de gang van zaken bij de wederopbouw van Irak. Om te beginnen bij de Irakezen zelf: er wordt veel geklaagd over corruptie bij de vorige regering. Tegen de vorige minister van Transport is zelfs een aanhoudingsbevel uitgevaardigd. De nieuwe Iraakse regering heeft inmiddels beslist ieder nieuw overheidscontract waarbij meer dan 3 miljoen dollar (2,5 miljoen euro) gemoeid is aan een extra onderzoek te onderwerpen. Dat zal de wederopbouw verder vertragen.

De Verenigde Naties hebben ook kritiek te verduren gekregen. Eerst op het Olie-voor-Voedselprogramma en vervolgens op het Development Fund for Iraq (DFI) dat door de Veiligheidsraad onder controle van de coalitie, dus van de Amerikanen, werd geplaatst. Dat DFI besteedde 8 miljard dollar dat overbleef van het olie-voor-voedselprogramma, maar in een rapport spreekt de Internationale Monitoring and Advisory Board hierover harde woorden. Dat rapport signaleert een onvolledige boekhouding, late rapportering, een gebrekkige controle van de Iraakse publieke uitgaven en ,,het ontbreken van enige rechtvaardiging voor het gebrek aan een open competitie voor Iraakse overheidscontracten''.

En dan zijn er nog de buitenlandse bedrijven die in Irak investeren. Het havenbedrijf van Umm Qasr werd als eerste Iraakse staatsbedrijf volkomen geprivatiseerd. Het is nu eigendom van de Stevedoring Services of America, SSA-Marine. Deze transactie beschouwen sommige waarnemers als controversieel, wegens gebrek aan transparantie en concurrentie.

Volgens het officiële Amerikaanse ontwikkelingsagentschap USAID dat toezicht houdt over de wederopbouwcontracten zou het uiteindelijk om een contract van meer dan 14 miljoen dollar gaan voor de wederopbouw en exploitatie van de havenfaciliteiten. Ook tegen het Deense Maersk loopt een Iraaks officieel onderzoek in verband met de haven van Umm al-Qasr. Volgens Pratap Chatterjee, die voor CorpWatch een boek schreef met de titel Irak Inc. - A Profitable Occupation, zijn de Irakezen ontstemd over de manier waarop Maersk de exploitatie van de haven heeft georganiseerd. Maersk beweert dat de Irakezen met hun hoge belastingen Umm Qasr uit de markt prijzen.

Waar gaat al dat geïnvesteerde buitenlandse geld naar toe? Veel activiteit in Umm Qasr is er niet te bespeuren. Havendirecteur Said Hamid reageert verongelijkt. ,,Onze haven wordt volkomen gemarginaliseerd. Alle goederen die voor Irak en de Amerikaanse en andere troepen zijn bestemd worden via de Jordaanse haven Aqaba en de haven van Koeweit verscheept. Wij worden gemeden, en dat is geen toeval.'' Volgens Hamid voeren Koeweit en Jordanië een ware lastercampagne tegen zijn haven. ,,Ze verklaren dat wie hier aanmeert zijn doodsvonnis tekent, maar wij zijn een heel veilige haven. Van alle schepen die hier toch aangemeerd hebben is er niet een in moeilijkheden gekomen. En alle mijnen zijn al lang opgeruimd.''

Zolang de enige Iraakse haven systematisch gemeden wordt kunnen de zuid-Irakezen hun droom van economische ontwikkeling, nieuwe banen en armoedebestrijding wel vergeten, zucht hij. ,,Kijk maar in de westelijke voorsteden van Basra. Daar zie je onze vrachtvervoerders staan, honderden vrachtwagens die niets te vervoeren hebben. We zien dat met lede ogen aan'', gromt Hamid.

Niet alleen voor Hamid, maar ook voor veel Irakezen is dit een bittere realiteit: zij leven met de erfenis van Saddam, in de vorm van de terugbetalingen van oorlogsschade en de dagelijkse vernedering aan de Koeweitse grens. Bij de wederopbouw krijgen andere doelstellingen voorrang. De Iraakse noden wegen niet op tegen de Amerikaanse geopolitieke belangen die dicteren dat de traditionele Arabische bondgenoten, bijvoorbeeld de Jordaniërs en de Koeweitis, te vriend moeten worden gehouden.

De Irakezen zijn nu bevrijd, maar ze krijgen alleen wat kruimels van de bevrijder. Ondertussen trekken dagelijks honderden vrachtwagens vanuit Koeweit de grens over, langs Umm Qasr en Basra heen, op weg naar Bagdad. Voor de havens van Koeweit en Aqaba zijn het gouden tijden.

    • Wilfried Bossier