Park voor grote windmolens

Al jaren worden windturbines almaar groter. Met de hoogte neemt de elektriciteitsopbrengst exponentieel toe. Turbines waren tien jaar geleden nog 30 tot 45 meter hoog.

De laatste jaren zijn er veel turbines geplaatst met een hoogte van 70 of 80 meter. De eerste windturbine met een hoogte van 100 meter en met wieken van 50 meter – de breedte van een voetbalveld – is onlangs geplaatst in de Wieringermeer. Flevoland en Noord-Holland plaatsen nog tientallen van zulke giganten.

Met grote windturbines veranderen landschappen. In de afgelopen tien jaar hebben we in Nederland geprobeerd windturbines in lijnen te plaatsen bij wegen, waterlopen of bedrijventerreinen. Men probeerde ze in het landschap in te passen, terwijl ze daarvoor veel te groot zijn.

Grote turbines vormen zelf een landschap. Ze domineren het onderliggende landschap en ook de infrastructuur. Alleen de grote contrasten in ons Nederlandse landschap, zoals de grens van land en IJsselmeer, hebben een schaal die past bij grote turbines.

Om dergelijke turbines een plek te geven, moet er in grotere maten worden gedacht in het landschap én in de besluitvorming. De turbines overstijgen al snel de schaal van een dorp of gemeente. Een andere aanpak is geboden.

Met de nieuwe turbines moet landschap worden ontworpen op nationaal of ten minste regionaal niveau.

De huidige verdeling van de taakstelling over de provincies en vaak over gemeenten leidt tot kleine clusters. Daarmee gaat de kans verloren om een goed landschappelijk ontwerp te maken.

Als deze grote objecten worden gebundeld, blijven elders lege landschappen bestaan. Als we 300 grote windturbines verspreid plaatsen op 20 kilometer van elkaar, zie je overal in Nederland een windturbine. Wanneer we er 300 neerzetten met een onderlinge afstand van 500 meter, passen die in een gebied van 7,5 bij 10 kilometer. Dan kan een spannend windturbinelandschap worden gemaakt.

Een `turbine-bos' met een binnen- en een buitenkant, met richtingen en verschillende dichtheden. Hiermee ontstaan nieuwe kwaliteiten, waar ook toeristen op afkomen. Om de beweging te beleven of om van het uitzicht te genieten vanuit een grote turbinekamer.

Een concentratie van turbines kan het onderliggende historische landschap op een nieuwe manier laten voortbestaan. Tegelijk met grote investeringen in turbines kan geïnvesteerd worden cultuurhistorisch erfgoed en natuur of infrastructuur.

Momenteel wordt in het beleid deze benadering nog nauwelijks als vertrekpunt genomen. In het beleid wordt gekozen voor plaatsen ver uit de buurt van woningen, waar windturbines geen kwaad zouden kunnen.

Turbines worden zo ervaren als moderne ondingen die op lawaaiige rotplekken komen, zoals bij snelwegen. In het beleid kiest men ook voor verdeling van de `ellende' in bestuurlijke zin. Elke provincie en veel gemeenten moeten bijdragen aan het landelijke doel.

Deze uitgangspunten hebben hun waarde en zelfs een juridische status. Ze leiden echter tot een slechte landschappelijke kwaliteit. Met de komst van grote turbines moet het ruimtelijke-ordeningsbeleid toewerken naar landschappen die de moeite waard zijn.

Voor de plaatsing van grote turbines moet in Nederland op nationaal niveau gekozen worden voor één of enkele locaties. Per locatie moet ten minste regionaal gedacht worden.

Voor deze aanpak is bestuurlijke durf nodig en organisatorische creativiteit. Met die creativiteit zit het wel goed, wanneer de politiek een grote keuze maakt.

Albert Jansen is programma-adviseur bij SenterNovem; Frank Stroeken is landschapsarchitect bij het ingenieursbureau Royal Haskoning.