Emancipatie `faculteit der kunsten' nodig

Het wordt hoog tijd dat het kunstonderwijs in het hbo de financiële mogelijkheden krijgt om onderzoek te doen. Ook promoveren in de kunst moet mogelijk worden, betoogt Henk Borgdorff.

Het kunstonderwijs in Nederland aan theater- en filmscholen, conservatoria, academies voor beeldende kunst en architectuur is ondergebracht bij het hoger beroepsonderwijs (hbo). Dit is uitzonderlijk in vergelijking tot wat in het buitenland gewoon is, waar het kunstonderwijs meestal aan universiteiten wordt gedoceerd.

Er bestaat ook geen pendant van het kunstonderwijs aan de universiteiten. Kunstgeschiedenis, musicologie en theaterwetenschap gaan weliswaar over de kunsten, maar zijn niet – zoals het technisch, agrarisch of bedrijfsadministratief onderwijs – het universitair equivalent van het hbo-onderwijs. Er is na de masteropleiding geen `derde cyclus' in het kunstonderwijs; niet aan de universiteiten, en evenmin aan het hbo.

Daardoor is er in het Nederlands hoger onderwijs ook geen onderzoek in de kunsten (waarbij de kunst zelf inzet en resultaat is). Deze onvolkomenheid heeft een negatief effect op het niveau van het vakinhoudelijke en publieke debat over kunst en kunstbeoefening.

In 1798 publiceerde Immanuel Kant het pamflet Der Streit der Fakultäten. Hierin bepleitte Kant de emancipatie van de zogenoemde `lagere faculteiten' ten opzichte van de `hogere faculteiten'. De lagere faculteiten, waarin onder andere de natuurwetenschappen, de geesteswetenschappen en de wijsbegeerte waren ondergebracht, leidden in die tijd op tot de meestergraad, terwijl de hogere faculteiten – met theologie, recht en medicijnen – uitzicht boden op een doctoraat.

Deze laatste faculteiten waren verantwoording schuldig aan kerk of staat, zoals tot op de dag van vandaag de godsdienstoefening, de rechtspraak en de gezondheidszorg een zaak zijn van kerkelijke of wereldlijke overheden die toezicht houden op de uitoefening van het vak en de professie beschermen.

De pogingen van de overheid aan het eind van de 18de eeuw om zich inhoudelijk te bemoeien met Kants wijsgerig geschrift Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft uit 1794, waren aanleiding voor Kant zich te weer te stellen tegen deze inmenging, en met kracht te pleiten voor de vrijheid van onderzoek in de lagere faculteiten, die niet in de eerste plaats beroepsgericht waren, maar zuiver wetenschappelijk onderzoek voorstonden.

Het pleidooi van Kant heeft bijgedragen aan het intellectuele klimaat waarin de oprichting van de Friedrich Wilhelm (later: Humboldt) Universiteit in Berlijn in 1809 mogelijk werd. Hierin werd niet alleen de koppeling tussen onderwijs en onderzoek gelegd en de vrijheid van onderzoek institutioneel bekrachtigd, maar kregen de lagere faculteiten ook het recht op te leiden tot de graad van doctor.

Het is nu tijd om in die traditie een vergelijkbaar pleidooi te houden voor de emancipatie van wat als geuzennaam de `laagste faculteit' kan heten, de faculteit van de kunsten.

Zoals ook in de Nederlandse wetenschappelijke wereld de impliciete hiërarchie tussen fundamenteel onderzoek en toegepast onderzoek al enige tijd is verlaten – met als getuige de omdoping van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO) tot Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) – moet nu ook het onderzoek in de kunsten (in de context van het kunstonderwijs) gelijke kansen krijgen.

In het verlengde hiervan wordt het tijd dat de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (KNAW) haar oude naam terug krijgt: het Koninklijk Nederlandsch Instituut voor Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten, waarin tot uitdrukking komt dat wetenschap en kunst een weliswaar ongelijksoortige maar even belangrijke bijdrage aan onze cultuur leveren.

Om te beginnen betekent dit concreet dat de zogeheten eerste en tweede geldstromen ook opengesteld worden voor het onderzoek in de kunsten zoals hier bedoeld. Dat wil zeggen dat de structurele financiering van onderzoek in het kunstonderwijs – nu zeer beperkt in het lectorenfonds ondergebracht – wordt verruimd en op gelijke hoogte wordt gebracht met het overige hoger onderwijs, en dat vanuit het kunstonderwijs ook meegedongen kan worden naar NWO-gelden en -subsidies, onderzoeksplaatsen (voor assistenten in opleiding) kunnen worden gecreëerd en beoordelingscommissies worden ingesteld.

Verder moet het nu ook voor de laagste faculteit mogelijk zijn om behalve bekostigde `practicebased' masteropleidingen ook promotietrajecten in de kunsten in te richten.

Er bestaat geen waardenhiërarchie tussen de faculteiten (vermogens) van de menselijke geest. De institutionele faculteiten waarin die menselijke vermogens worden aangesproken en benut, dienen gelijk behandeld te worden.

Henk Borgdorff is lector kunsttheorie en onderzoek aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten.

    • Henk Borgdorff