Een doodnormale onderneming

`Ein ganz normales Unternehmen'. Onder deze titel was tot vorige week in het Jüdisches Museum in Berlijn een thematentoonstelling te zien over de voormalige firma Topf und Söhne uit Erfurt. Ondertitel en toelichting: `Techniker der Endlösung - die Ofenbauer von Auschwitz'.

Topf was in het verleden op de een of andere manier specialist geworden op het gebied van crematoriumovens. Het was misschien niet eens een produkt-marktcombinatie waar ze strategisch voor gekozen hadden, want consultants en MBA's waren er in die tijd nog niet.

Waarschijnlijk waren ze er gewoon in gerold. Misschien hadden ze ooit ervaring ontwikkeld op het gebied van brandertechnologie, bijvoorbeeld aan de stookkant van stoomlocomotieven, en kwamen ze toevallig op een vakbeurs iemand tegen die problemen had met hoge temperaturen en schone verbranding. Daar hadden ze wel een oplossing voor, en zo werden ze specialist in crematoriumovens. Zo gaan die dingen.

Zo ging het ook toen iemand ze vroeg of ze ook ovens konden bouwen met een capaciteit van meerdere tonnen organisch materiaal per uur. Daar moest de ontwikkelingsafdeling wel wat aan rekenen, maar ze leverden ook al aan abattoirs. Dus het moest wel lukken. Niemand sprak natuurlijk van mensenlichamen, en voorzover daar iemand al een punt van maakte, was er vast wel een ander die erop wees dat het moorden niet in de ovens plaatsvond maar ervoor. Topf zou alleen een rol spelen bij de verwerking. Of misschien was het wel een erg grote order waar veel banen mee gemoeid waren, of was het een militair-strategisch belang en zou een groot aantal werknemers niet naar het oostfront hoeven om daar te creperen. Zo gingen ze bij Topf und Söhne tekenen, calculeren, offertes maken en de installaties leveren, tot aan de asharken toe. En een Joodse meneer op de boekhouding zorgde voor de facturen, alles doodnormaal.

Ik sta hier niet met schone handen en op objectieve afstand schandelijke gedrag te veroordelen. Ooit was ik zelf medeverantwoordelijk voor een klein noodlijdend kunststofbedrijf. We konden een grote order krijgen, met stempels van officiële instanties en al, voor hulzen van antitankmijnen. We hebben alle mogelijke kronkelargumenten bedacht. De hulzen op zich waren niet schadelijk, dat was de springstof en andere vuiligheid die erin ging, en daar wisten we niet van of we wilden het niet weten. Als wij de order niet zouden uitvoeren, zou een ander het wel doen. Het was de redding van zestig kostwinnersbanen. Kortom, we hebben het gedaan. Ergens op de wereld lopen nu mensen met verminkingen rond, of erger, waar ik deel aan heb. Volgens De Balzac gaat achter elk groot vermogen een misdaad schuil. Dat is scherp gesteld; hij had het dan ook over het echt grote geld. Maar ook het gewone comfortabele leven is vaak gecompromitteerd, met drogredenen en wegkijken.

Een drijvende kracht achter de ovenbouwerstentoonstelling was Hartmut Topf, geboren in 1934, het Berlijnse neefje van de ooms Topf uit Erfurt. Met zijn belaste achternaam heeft hij zich zijn leven lang ingespannen om te begrijpen hoe het zo heeft kunnen gaan. In een essay bij de tentoonstelling spreekt de Nederlandse socioloog Pieter Kleerebezem, vriend en toeverlaat van Topf, over de bedrieglijke grenzen van de vrijheid. Er zijn sferen - hij noemt ze biotoop en technotoop - waarin wij ons vrij wanen, terwijl we worden meegesleurd. In de biotoop heerst de levensdrang, de kracht waardoor bijvoorbeeld Topf zijn vrouw aan een ander verloor toen bij haar, in zijn woorden, ,,de grote liefde uitbrak''. Rationeel verzet was zinloos, het overkwam hen. Het is de hartstocht die mensen ertoe brengt zich met elkaar te verstrengelen, want wie is er ooit met een koel hoofd verwekt? In de technotoop is het de technologie die ons in dienst neemt. Wie kan bijvoorbeeld nog zonder email? Zeker, niemand dwingt ons als we in het weekend en op vakantie nog even onze Outlook checken. We buigen ons onder het slavenjuk en we noemen ons vrij omdat we het vrijwillig doen.

Er is nog zo'n sfeer, die je de ideotoop zou kunnen noemen. Het is waar onze overtuigingen vandaan komen over wat mag en wat moet, over wat deugt en wat niet. Daar biedt het Jüdisches Museum een beklemmende illustratie van. Er is een enorm atrium, een lege ruimte die symbool staat voor de Joodse aanwezigheid die er in Europa niet meer is. Op de grond liggen slordig dooreen duizenden ruwe ijzeren schijven, dik en dun, groot en klein, waarin gaten zijn gebrand. Ogen, neus, opengesperde mond: het zijn gezichten, en geluidloos schreeuwen ze het uit. Er staat een tekst bij waarmee de kunstenaar de bezoeker uitnodigt ,,het kunstwerk te betreden''. Benieuwd of ze in het museum bijhouden hoeveel mensen dat doen. Want daar ging het toch om? Je gaat toch niet bij je volle verstand over gezichten lopen? Behalve als iemand anders het zegt - de kunstenaar, de Führer, de groep, de bedrijfsleiding, de paus, de imam.

Onze vrijheid is minder groot dan we denken, en we leveren haar in voordat we het doorhebben. We wanen ons vrij en juist dat is bedrieglijk. We kunnen immers altijd nog terug, denken we. Dat denkt het vliegje ook, en waagt zich aan de zoete nectar van de vleesetende zonnedauw. Maar wie zich laat verlokken is weg.

,,Tabaksindustrie doe ik niet meer'', zei een topaccountant me laatst, vennoot van een van de grote internationale kantoren. ,,Het kan best zijn dat een ander de controles in mijn plaats doet, maar ik heb voor mezelf een streep getrokken. Misschien is het potsierlijk of naïef, maar dit is de keuze die ik kan maken.'' Op wereldschaal is het niets; op persoonlijk niveau is het belangrijk vast te stellen of je echt terug kunt waar je denkt dat je het kunt, en het te doen ook. Te kijken of je echt zo vrij bent als je dacht, en niet verslaafd als de roker, de drinker of de snoeper die zegt dat hij kan ophouden wanneer hij wil maar die het toevallig niet wil willen. Wie nu `nee' kan zeggen en doen, kan het straks misschien ook wanneer een toekomstige SS langskomt met een doodnormale opdracht. Voor antitankmijnhulzen bijvoorbeeld.