De grote kraak leeft

Eindelijk is een reuzenpijlinktvis levend gezien. Urenlang spartelde er een aan een diepzeevislijn, tot een arm losscheurde en het beest in de diepte verdween.

Japanse wetenschappers hebben als eersten onderwateropnamen gemaakt van een levende volwassen reuzenpijlinktvis (Architeuthis). De beelden, gemaakt op een diepte van 900 meter bij de Ogasawara Eilanden ten zuiden van Japan, laten zien dat reuzeninktvissen veel actievere jagers zijn dan werd aangenomen. De Japanners doen verslag van hun waarnemingen in The Proceedings of the Royal Society B van deze week.

Reuzenpijlinktvissen zijn de grootste levende ongewervelde dieren. Ze spreken van oudsher tot de verbeelding als gigantische zeemonsters. Oude mythen vertellen over `kraken', inktvissen van monsterlijke proporties, die zeeschepen aanvallen met hun tentakels. Tot de verbeelding spreken ook de vervaarlijke littekens die potvissen vaak op hun kop dragen. Deze walvissen jagen op reuzeninktvissen en raken soms gewond door de zuignappen op de tentakels.

Reuzeninktvissen leven op zeer grote diepte in zee en daardoor is er nauwelijks iets bekend over de leefwijze. Tot nu toe konden wetenschappers alleen dode of halflevende aangespoelde of in visnetten naar boven gehaalde exemplaren bestuderen.

Daarin brengt de Japanse onderzoeker Tsunemi Kubodera van het National Science Museum in Tokio nu verandering. Een jaar geleden, om precies te zijn op 30 september 2004 om kwart over negen 's morgens, slaagde hij er met zijn team – na drie jaar zoeken – als eerste in unieke opnamen te maken van een Architeuthis.

Kubodera's gebruikte een lange vislijn met daaraan een verzwaarde haak met een gewone Japanse inktvis (Todarodes pacificus) als aas. Drie meter erboven hing een camera. Naast de haak hing een constructie met onder meer een zak met fijngehakte garnalen om de reuzeninktvis met de geur daarvan naar de vislijn te lokken.

Kubodera liet zich de weg wijzen door potvissen, die ten zuiden van de Ogasawara Eilanden regelmatig duiken maken tot dieptes van 800 tot 1000 meter, kennelijk om te fourageren. De camera maakte iedere halve minuut een foto. De lijn werd langzaam gevierd en toen plotseling, bij foto 50, verscheen een reuzenpijlinktvis in beeld die zijn vangarmen om de prooi heenkrulde. Kubodera vergelijkt het met de vangmethode van pythons die zich met hun lichaam razendsnel om hun prooi wikkelen nadat zij hebben toegeslagen. De reuzenpijlinktvis viel in horizontale positie aan op het aas. De zuignappen van zijn vangarmen kunnen zich volgens Kubodera als een ritssluiting in elkaar haken waardoor zij lepelvormige klauwen vormen. Veel onderzoekers gingen er vanuit dat reuzenpijlinktvissen trage, ronddobberende wezens waren, maar de beelden bewijzen het tegendeel.

De reuzeninktvis bleef na zijn aanval met een van zijn vangarmen aan een haak hangen. Het dier probeerde verwoed los te komen, waarbij het herhaaldelijk zijn armen spreidde en de vislijn omstrengelde. Meermaals verdween de inktvis uit beeld doordat hij zo hard wegzwom. Tijdens de vier uur durende worsteling kwam hij omhoog tot 600 meter diepte om weer af te zakken naar 900 meter diepte. Daar brak de vangarm tenslotte af.

Toen de Japanners merkten dat de lijn slap hing, haalden zij hem in. Aan boord bleek de vijfeneenhalve meter lange afgerukte vangarm nog altijd actief. De zuignappen grepen zich vast aan het dek of aan de aangeboden vingers van Kubodera. Met DNA-analyse bevestigden de onderzoekers dat het hier daadwerkelijk ging om een exemplaar van Architeuthis. De onderzoekers schatten dat het dier een totale lengte van iets meer dan acht meter moet hebben gehad. Daarmee was het een relatief klein exemplaar, een in 1969 aangespoelde reuzeninktvis mat maar liefst 18 meter.

    • Sander Voormolen