Schikking in zaak `goudtrein': 25,5 miljoen dollar

Een Amerikaanse federale rechter heeft gisteren 25,5 miljoen dollar schadevergoeding toegekend aan Hongaars-joodse holocaust-overlevenden. Hun waardevolle spullen werden in de Tweede Wereldoorlog in beslag genomen toen de Amerikanen een zogenoemde goudtrein van de Duitsers onderschepten.

Rechter Patricia Seitz meende dat de VS een ,,historische kans'' hebben om in het verleden aangedaan onrecht te elimineren. De Amerikanen namen onder meer 1.200 schilderijen, 3.000 oosterse tapijten, gouden en zilveren voorwerpen, sieraden en porseleinen serviezen mee uit de in Oostenrijk aangehouden trein. De Amerikaanse regering zal officieel haar excuses aanbieden voor het meenemen van de voorwerpen.

De schadevergoeding zal door de Amerikaanse regering worden uitgekeerd aan joodse instellingen, die zullen bekijken wie van de 62.000 Hongaarse holocaust-overlevenden noodlijdend genoeg is om in aanmerking komen voor een deel van het geld.

Een aantal overlevenden heeft bezwaar aangetekend tegen deze procedure. Zij menen dat het geld onder alle overlevenden moet worden verdeeld. ,,Welk recht heeft iemand om te bepalen wie noodlijdend genoeg is en hoeveel geld ze krijgen?'', vroeg Tibor Lichman, overlevende van het concentratiekamp Mauthausen zich af.

Rechter Seitz berekende dat na aftrek van advocatenkosten en belastingen slechts 300 dollar per persoon zou worden uitbetaald en noemde dit te weinig. De Amerikaanse wet schrijft voor dat bij soortgelijke zaken een maximale schadevergoeding van 1.000 dollar per persoon schadevergoeding moet worden betaald.

Een woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van Justitie noemde de manier van uitbetaling eveneens eerlijk. Een van de andere voorstanders gaf aan dat als nog langer wordt gewacht met uitzoeken wie in aanmerking komt voor schadevergoeding, er geen overlevenden meer zijn.