Na twee sollicitaties aan de slag

Vluchtelingen kunnen in Nederland niet vanzelfsprekend hun oude beroep weer oppakken. Wat voor werk doen ze dan wel? Deel 1 van een serie. ,,Ik krijg hier meer verantwoordelijkheid.''

Mohammad Arab (34) kreeg 30 gulden per week in het asielzoekerscentrum waar hij woonde nadat hij in 1994 Iran was ontvlucht. Daarvan kon hij het schakeljaar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam dat hij wilde volgen om tot een studie toegelaten te worden, niet betalen. De universiteit kwam hem tegemoet met een speciaal fonds dat boeken en collegegeld vergoedde. Maar omdat hij nog altijd niet genoeg geld had voor de reiskosten, maakte hij schoon in het asielzoekerscentrum. Daar verdiende hij 1 gulden per uur mee. Hij moest heel wat uren draaien om op en neer te gaan naar Amsterdam.

,,Studeren was voor mij heel belangrijk'', vertelt Arab. ,,Omdat ik nog geen verblijfsstatus had, kon ik niet solliciteren naar een reguliere baan. Maar ik wilde wel iets doen. Het leek het me ook dé manier om de taal te leren en met Nederlanders in contact te komen. Daarbij leek het me het beste voor mijn eigen toekomst en voor de Nederlandse samenleving, in het geval ik hier mocht blijven.''

Dat bleef onzeker tot eind 1998, toen kreeg hij een verblijfsvergunning. Over zijn vertrek uit Iran wil Arab niet vertellen. Het maakt te veel los. ,,Het komt erop neer dat ik ben gevlucht, omdat ik te maken had met maatschappelijke activiteiten die er niet werden getolereerd'', zegt hij.

Arab, die vloeiend Nederlands spreekt, ging in Iran naar de middelbare school, waarna hij een cursus volgde om boekhouder te worden. Dat vak oefende hij anderhalf jaar uit om vervolgens met een vriend een tapijthandel te beginnen. In 2004 is hij in Nederland afgestudeerd in Sociaal Culturele Wetenschappen. De Stichting voor Vluchteling Studenten UAF hielp hem daarbij, vertelt Arab. Het UAF ondersteunt hoger opgeleide vluchtelingen en asielzoekers bij hun studie en het vinden van passend werk.

,,Na zeven maanden schakelklas kwam ik erachter dat de stichting bestond. Uiteindelijk hebben zij een deel van mijn studie betaald en, minstens even belangrijk, boden ze me begeleiding en advies.''

Om te kunnen leven, werkte Arab tijdens zijn studie bij de Albert Heijn drie jaar lang op de groenteafdeling waar hij een vast contract had. Tot hij in 2003 via de afdeling Job Support van het UAF te horen kreeg dat de stichting zelf studentenbegeleiders zocht. Arab studeerde nog, maar ging er aan de slag. Inmiddels werkt hij er tweeënhalf jaar.

,,Ik had pas twee sollicitaties achter de rug'', zegt Arab op het kantoor van het UAF in een statig pand aan een Utrechts park. ,,In tegenstelling tot sommige van onze cliënten heb ik snel werk gevonden.'' Hij vertelt dat buitenlandse afgestudeerden vaak nog altijd moeilijk aan een baan komen. ,,Sommige werkgevers nemen je in ieder geval niet aan als ze een buitenlandse naam zien, hoe geïntegreerd je ook bent. En wat dat betreft is mijn eigen naam natuurlijk schrikbarend.''

Arab heeft niet erg aan de Nederlandse manier van werken hoeven wennen. Maar hij ziet wel duidelijke verschillen: ,,Ik krijg hier meer verantwoordelijkheid en de hiërarchie is anders. De baas in Iran is echt een baas, een machtig persoon. Hier is dat anders.'' En dan de vergadercultuur, dat was in het begin wel even vreemd. De verdiensten zijn bovendien anders: ,,Ik krijg hier meer, al verdiende ik best goed in Iran. Maar tegelijkertijd heb ik meer uitgaven, zoals de belasting.''

Arab woont met zijn echtgenote in Purmerend en is daar actief bij de volleybalvereniging. Het kan haast niet Hollandser. Alleen de bergen mist hij soms, zegt hij, en zijn familie. Over de toekomst denkt hij niet te veel na. ,,Ik weet inmiddels dat er altijd dingen kunnen gebeuren die je niet verwacht.''

Dit is het eerste deel van een serie over vluchtelingen en hun baan in Nederland. Volgende week: een verpleeghuisarts.