Frans economisch patriottisme stuit op grenzen

Globalisering is de wereldwijde trend, maar niet in Frankrijk. De regering in Parijs promoot actief het economisch patriottisme, op het gevaar af buitenlandse bedrijven weg te jagen.

Bij Hewlett-Packard (HP) weten ze inmiddels wat het nieuwe Franse debat over `economisch patriottisme' betekent. Begin deze maand kondigde de Amerikaanse computer- en printerfabrikant aan in Europa 6.000 banen te schrappen. Het voornemen maakt deel uit van een al eerder aangekondigd plan om wereldwijd bijna tien procent van het aantal banen te schrappen, in totaal 14.500.

In precies één land is dat inmiddels uitgegroeid tot een probleem op regeringsniveau, zo merkte een HP-directeur deze week op: in Frankrijk. Bij de HP-vestiging in Grenoble staan 1.240 banen op het spel, een kwart van het totaal in Frankrijk.

Niemand minder dan president Jacques Chirac was vorige week de eerste die in actie kwam tegen de dreigende ontslagen - het staatshoofd was nog er sneller bij dan de Franse vakbonden, die toch als alert bekend staan.

Ook de vorm van zijn protest was origineel: de Franse president riep de hulp in van de Europese Commissie, die HP zou moeten verbieden te saneren omdat het bedrijf in financieel opzicht in blakende conditie verkeert. EC-voorzitter José Barosso had precies één dag nodig om voor de eer te bedanken.

Sindsdien leidt premier Dominique de Villepin vanuit Parijs het sociale verzet. Eerst riep hij HP op het aantal ontslagen te beperken. Toen daarop geen reactie kwam, volgde een dreigement. Als HP Franse werknemers wilde ontslaan, moest het bedrijf misschien maar de miljoenen euro's subsidies terugbetalen die het van de overheid had ontvangen.

De Amerikanen lieten daarop weten dat het van de Franse overheid geen enkele subsidie heeft ontvangen waarmee mensen aan het werk zijn geholpen. En waar niets gegeven is, kan niets worden teruggegeven, zo redeneerde HP.

De acties van de Franse regering lijken sindsdien even doodgelopen. Maar voor de critici was het verband snel gelegd: weer een illustratie dat de regering zich bij vlagen ontpopt als een soort nationaal actiecomité tegen de mondialisering. Vooral Engelstalige media betichten de regering van een neiging tot ouderwets nationaal-protectionisme.

Dit keer gingen ook bij partijgenoten van Villepin wenkbrauwen omhoog. Sommigen, onder wie de ex-minister François Fillon, vrezen dat de scherpe toon van de premier tegen HP bij buitenlandse bedrijven de indruk kan wekken dat Frankrijk geen aantrekkelijk land is om in te investeren - omdat het te veel met zichzelf bezig is.

Villepin heeft die kritiek deze zomer zelf op gang gebracht door zijn landgenoten op te roepen tot het betrachten van `economische patriottisme'. Hij reageerde toen op geruchten dat de Amerikaanse drankengigant Pepsi een vijandige overname zou voorbereiden van de Franse zuivelreus Danone.

Die geruchten zijn inmiddels - grotendeels - geluwd, maar het woord heeft zijn werk gedaan. `Economisch patriottisme' is al weken het lievelingsonderwerp van het Franse economische debat. En er zijn opvallend veel verdedigers en weinig tegenstanders: het welbegrepen economische eigenbelang wordt graag nationaal opgevat. Ook de socialistische oppositie keert zich er niet tegen. De socialisten weten wellicht nog te goed wie de laatste premier was die dezelfde woorden in de mond nam: hun partijgenoot Lionel Jospin in 2001.

Overal vinden Fransen ondertussen voorbeelden van nuttig economisch patriottisme. Neem de lijst van strategische sectoren die niet in buitenlandse handen mogen komen - de regering werkt aan een decreet hierover. Behalve op het gebied van defensie of veiligheid kunnen daar ook bedrijven op komen die cruciale posities hebben in de voedselvoorziening, energie of gezondheidszorg, opperen de meest enthousiasten.

Of neem de vorige week door de regering aangenomen wetgeving die Franse bedrijven in staat moet stellen zich beter te beschermen tegen vijandige overnames. Dat is grotendeels de nationale vertaling van een Europese richtlijn, maar het past in de lijn: Franse bedrijven krijgen dezelfde strijdmiddelen als de buitenlandse partner waarmee ze in gevecht zijn. En (Franse) aandeelhouders moeten straks altijd instemmen met een overnamebod.

De regering-Villepin heeft nog andere plannen. Zo wil zij met Brussel afspreken dat 25 procent van de bestellingen van de staat wordt gereserveerd voor het Franse midden- en kleinbedrijf, zo zei de premier vorige week.

En toch is `economisch patriottisme' geen defensief begrip, legde Villepin uit in een interview in het dagblad Les Echos. Het is juist een moderne manier om te zeggen dat de traditioneel verdeelde Fransen eens moeten besluiten dat ze ,,samen willen winnen'': werknemers én werkgevers, staat én bedrijfsleven. Villepin haalt het voorbeeld aan van de VS en Japan, waar de nationale vlag in menig directiekamer staat. ,,Waarom zou economisch patriottisme modern zijn in de Verenigde Staten, en achterhaald in Frankrijk?''

In het buitenland is, als het zo uitkomt, ook enige lenigheid met het begrip mogelijk. Dat demonstreerde minister van Financiën Thierry Breton deze week tijdens een bijeenkomst met zakenlieden in New York, na de top bvan het Internationaal Monetair Fonds. Zijn suggestie: kunnen Europese bedrijven niet wat meer aan economisch patriottisme doen? Aan Europees patriottisme, wel te verstaan?