De essentie van mensen en dieren

Een matglanzende bronzen koe ligt stil op zijn sokkel. Ze is omringd door soortgenoten. Bij binnenkomst in het Singermuseum heb je ze in één oogopslag in beeld. Ze zijn maar klein. Hun scherpe horens priemen in de lucht. Ze bestaan uit niet meer dan enkele schuine en gebogen lijnen. Toch zijn ze aaibaar. Het lijkt alsof ze daar voor de eeuwigheid liggen.

De kunstenaar die deze bijna abstracte beelden maakte, Ewald Mataré, was in 1918 een van de oprichters van de zogenaamde Novembergruppe in Berlijn. Hij en zijn vrienden Max Pechstein, Heinrich Campendonk, Naum Gabo en de architect Mies van der Rohe waren vernieuwers die zich afzetten tegen het door hof en overheid geprotegeerde impressionisme. Ze wilden een nieuwe, meer sociale kunst. Mataré exposeerde in die jaren met de expressionisten in de fameuze Galerie Der Sturm van Herwarth Walden.

Mataré was opgeleid als schilder en graficus, maar raakte al snel geobsedeerd door hout en begon te werken met het materiaal dat hij vond in de afgelegen streken in Denemarken, Finland en Noord-Duitsland, waar hij zich lange zomers terugtrok. Anders dan de meeste van zijn tijdgenoten, die juist probeerden met ruwe vormen tot de grootst mogelijke expressie te komen, zocht Mataré naar een klassieke schoonheid.

In zijn beelden domineren strakke, geconcentreerde vormen. Hij polijstte, dacht na, observeerde en vereenvoudigde tot hij zijn doel bereikt had. ,,Ware beeldhouwkunst'', schreef hij op 5 juli 1924 in zijn dagboek, ,,kent eigenlijk geen overlappingen in de vorm''. Op de tentoonstelling staan prachtige voorbeelden van portretten, vrouwenfiguren en dieren die zijn teruggebracht tot de oervorm. Het zijn symbolen geworden, maar Mataré overschreed nooit de grenzen van het realisme, iets wat een tijdgenoot als Brancusi wel deed.

In de jaren dertig trok Mataré zich terug in de eenzaamheid van zijn atelier in Büderich, in het Rijnland, zijn geboortestreek. Zoals de meeste expressionisten werd hij entartet verklaard, maar dankzij zijn kerkelijke opdrachten kon hij overleven. Na de Tweede Wereldoorlog ging Mataré daarmee door en kreeg hij grote opdrachten in het kader van de wederopbouw: hij maakte bronzen deuren voor de Keulse Dom en ook voor de Dom in Salzburg. Ook van die belangrijke fase staan voorbeelden opgesteld. Het meeste van dit religieuze werk heeft een wat nadrukkelijke symboliek, maar bijvoorbeeld een robuuste, bijna abstracte kruisigingsgroep uit Düsseldorf stijgt toch ver boven elke materie uit.

De tentoonstelling eindigt met een onverwachte wending. In de laatste zaal hangt vroeg werk van Joseph Beuys, die vanaf 1947 op de Düsseldorfse kunstacademie les van Mataré had. Je ziet hoe Beuys tekende en tekende om de grenzen van de kunst te verkennen. Maar er ligt ook een klein en hoekig schaapje van hem. Minder tot de essentie bepaald dan de dieren van zijn leermeester, maar wel erg expressief.

Tentoonstelling: Oerbeelden van Ewald Mataré, t/m 4/12 in: Singer Laren, Oude Drift 1, Laren. Open di t/m zo 11-17u. Inl. 035-5393939 of www.singerlaren.nl.