Twintig hulpverleners om tafel voor één gezin

De hulp aan probleem-

gezinnen moet beter gecoördineerd worden. En soms is een gezinscoach nodig. Dat is de les uit een Limburgs experiment.

Staatssecretaris Ross (Welzijn, CDA) kwam met het idee van een gezinscoach na een brand in Roermond in 2002 waarbij zes kinderen omkwamen. Het vuur was aangestoken door de vader. Uit een onderzoek van de Inspectie Jeugdzorg bleek dat er veel hulpverleners bij het gezin betrokken waren maar dat die niet of nauwelijks samenwerkten en informatie uitwisselden.

Gisteren kreeg staatssecretaris Ross in Ede de resultaten van een proefproject in Limburg waar twee jaar lang werd geëxperimenteerd met de gezinscoach. Honderd `multiprobleemgezinnen' met minderjarige kinderen werden aangemeld voor de pilot, veertig gezinnen waren problematisch genoeg om mee te doen. Uiteindelijk werd er in twintig gezinnen een gezinscoach aangesteld.

De Limburgse aanpak is simpel. Het begint met een rondetafelgesprek met het gezin en alle betrokken hulpverleners. Het aantal hulpverleners lag meestal tussen de tien en de twintig. Sonja Troisfontaine, die als beleidsadviseur van de provincie Limburg het project begeleidde, legt uit hoe dat kan: ,,Stel: vader krijgt hulp voor zijn alcoholverslaving, moeder voor haar psychiatrische problemen, een van de kinderen heeft gesprekken bij het Riagg vanwege ADHD en een ander kind bij bureau Jeugdzorg. Alle vijf kinderen zitten op verschillende speciale scholen. Het gezin krijgt intensieve thuiszorg en hulp bij schuldsanering. De ouders hebben contact met de sociale dienst en het Centrum voor Werk en Inkomen. En dan ben ik vast nog een paar hulpverleners vergeten.''

Tijdens het rondetafelgesprek maken de hulpverleners kennis met elkaar en stellen in overleg met het gezin een plan op. Dat plan voeren ze vervolgens als één team uit. Maatschappelijk werker Peter Boelens van het aanmeldpunt gezinscoaching Sittard-Geleen viel op dat hulpverleners vooral vanuit hun eigen specialisatie naar een gezin kijken en weinig oog hadden voor andere problemen. Daardoor kreeg een gezin soms niet de hulp die het nodig had, maar was er ook overlap. Boelens: ,,Doordat iedereen rond de tafel zit, is het makkelijk afspraken te maken over wie wat doet. Hulpverleners kunnen zich niet achter regeltjes en formaliteiten verschuilen.'' Een van de hulpverleners coördineert vervolgens de hulp.

Bij twintig van de veertig gezinnen was coördinatie van de zorg voldoende. Bij de overige twintig bleek een gezinscoach nuttig. Troisfontaine: ,,Het gaat om ouders die geen greep hebben op hun leven en de opvoeding. Zij hebben iemand nodig die hen helpt.'' De gezinscoach kan iedereen zijn: de gezinsvoogd van bureau Jeugdzorg, een andere hulpverlener, maar ook een oma, een broer of een buurvrouw. Troisfontaine: ,,Het gezin beslist. Ze moeten de coach volkomen vertrouwen.''

De gezinscoach is aanspreekpunt voor de hulpverleners en helpt het gezin bij alle problemen. In sommige gezinnen kan de coach de ouders leren problemen op te lossen, zodat ze na een tijdje zelf verder kunnen. In andere gevallen, bijvoorbeeld bij verstandelijk gehandicapte ouders, zal de coach altijd nodig zijn. In het Limburgse experiment noemen ze dat ,,stut en steun''. De Limburgse gezinnen bleken tevreden over de gezinscoach.

Staatssecretaris Ross was dat gisteren ook. Ross hoopte, zei ze, dat de ervaring in Limburg met het afstemmen van de zorg en het inzetten van een gezinscoach als het niet anders kan, navolging zal krijgen.

    • Sheila Kamerman