Therapie helpt jonge stotteraars

Stotterende peuters en kleuters kunnen grotendeels van hun kwaal worden verlost met de Lidcombe-therapie. In Nieuw Zeeland is het effect van vroeg behandelen in een vergelijkende studie onderzocht.

Het resultaat is gepubliceerd in de British Medical Journal van afgelopen zaterdag. Het was voor het eerst dat de werkzaamheid van een stottertherapie in zo'n lang, 9 maanden durend gerandomiseerd onderzoek is bestudeerd. De Lidcombe-methode is een van oorsprong Australische methode die zich langzaam over de wereld verspreidt. In Nederland zijn sinds 2000 krap 100 logopedisten getraind in de methode. De Nederlandse stottertherapie bij kleuters is vooral gebaseerd op een in de jaren tachtig van de vorige eeuw ontwikkelde `Demands and Capacities'-methode van de Amerikaan Starkweather.

De Lidcombe- en Starkweathermethoden zijn ongeveer even goed voor de vroege behandeling van stotterende kleuters, zegt linguïst-logopediste dr. M.C. Franken, verbonden aan het Gehoor en Spraak Centrum van de afdeling KNO van het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam. Zij vergeleek de beide methoden in een net gepubliceerd onderzoek dat 12 weken duurde.

Franken: ,,Dat was een kort onderzoek, waar we niet direct grote conclusies aan kunnen verbinden. We willen nog een uitgebreid vervolg doen en zijn bezig met een projectaanvraag bij onderzoekssubsidiegever ZonMW. Er zijn namelijk nog erg veel vragen. De studie in Nieuw Zeeland heeft nog niet laten zien hoeveel kinderen op termijn echt stottervrij zijn. We weten ook nog niet of de therapie werkelijk beklijft. En ik zou graag willen weten welke methode voor welk kind het beste is.''

In de Nieuw-Zeelandse studie stotterden de kleuters voor de behandeling bij ongeveer 1 op de 15 lettergrepen die ze uitspraken. Ze werden door het lot verdeeld in een groep die therapie kreeg en in een groep die geen behandeling kreeg. Er deden 54 kinderen mee. Na 9 maanden therapie was de stotterfrequentie in de therapiegroep gedaald tot 1 op de 65 lettergrepen. Bij de onbehandelde kinderen was de frequentie ook gedaald, maar minder, tot 1 op de 25 lettergrepen.

Bij beide methoden zijn de ouders therapeut. De aanpak verschilt. Bij de Lidcombetherapie prijzen de ouders hun kind bij een stottervrij uitgesproken zin (,,Dát heb je mooi gezegd!''). Of ze vragen het kind om zichzelf te beoordelen, maar alleen na een vloeiend uitgesproken zin. De ouders leren van de therapeut een plezierige trainingssituatie te creëren waarin kinderen vrijwel vloeiend kunnen spreken, bijvoorbeeld door in het begin alleen woordjes te benoemen. De reactie op een stotter is dan bijvoorbeeld: ,,Oeps, daar hoorde ik een hobbeltje.'' Ouders en kind gaan in het begin eenmaal per week naar een logopedist. Later neemt de tijd tussen twee afspraken toe.

Starkweather is meer op de omgeving van het kind gericht. Die moet zich aanpassen aan het groeiende spraakvermogen van het kind dat kennelijk nog onvoldoende is om vloeiende zinnen te produceren. Ouders komen hun kind tegemoet door langzamer te spreken, kortere zinnen te formuleren, veel te herhalen en de stress rond het stotteren te reduceren. Daarnaast wordt de capaciteit van het kind getraind, bijvoorbeeld het vinden van woorden.

Het heeft de onderzoekers veel moeite gekost om deelnemers voor het onderzoek te krijgen. Franken: ,,Eigenlijk vindt bijna iedereen tegenwoordig dat je een stotterende kleuter vroeg moet behandelen. Er zijn nog mensen die er op wijzen dat bijna driekwart van de stotteraars na een paar jaar toch weer vloeiend spreekt. Je kunt je geld beter gebruiken, zeggen die. Maar met vroege therapie bespaar je veel kinderen en ouders vervelende jaren. En de therapie is niet duur.''