Het beeld

In 1961 kwam Bob Dylan uit de lucht vallen: letterlijk, zo bewijst een stukje archieffilm in Martin Scorsese's documentaire No Direction Home: Bob Dylan, waarvan de BBC-rubriek Arena gisteren het eerste deel uitzond. In de beelden die worden aangeduid als `de eerste film van Bob Dylan in New York City' zien we hoe de 20-jarige zanger langzaam van een muur af het kader binnenploft, een paar stappen in de richting van de camera zet en hoedjes past.

Toen de voormalige Bob Zimmerman zijn geboortestaat Minnesota verliet, was hij een van de vele folksingers rond de universiteit van Minneapolis, volgens getuigen bijzonder goed noch bijzonder slecht. Een paar maanden later was hij het gesprek van de dag in Greenwich Village en op weg naar de status van geniale voortrekker van een generatie. Wat er in die tussentijd precies gebeurde, is een raadsel dat de documentaire niet echt oplost, zoals wel meer kwesties. In de documentaire meldt iemand dat het de invloed van New York moet zijn geweest: ,,He went to the crossroads'', want een dorpsbewoner ontleent zijn inzicht in de wereld aan bezoeken aan een naburige wegkruising.

Het beeld dat zich in de eerste twee uur aftekent is dat van Dylan als een synthese tussen verschillende Amerikaanse tegenstellingen: stad en land, blank en zwart, links en rechts, politiek engagement en persoonlijke lyriek, vrijheid en geloofsijver. Toevallig zei Wynton Marsalis dat zondag ook al in het eerste deel van Ken Burns' documentaireserie The History of Jazz (NPS): jazz bemiddelt tussen Amerikaanse contradicties.

No Direction Home is vooral een imposante verzameling archiefbeelden en interviews, waaronder een selectie uit tien uur recente gesprekken met Dylan. Afgezien van de spanning die de nog steeds meer dan levensgrote Dylan-mythe genereert, is het ook een zeer knap gemaakte documentaire, in het ritme van de montage het best te vergelijken met Scorsese's lange documentaires over de Amerikaanse en de Italiaanse filmhistorie. Niet alleen Dylans muziek, maar ook alle muzikale verwijzingen krijgen de ruimte, en niet maar vier maten. Als terloops de naam Billie Holiday valt, mogen we rustig kijken en luisteren naar het hele begin van Strange Fruit; vergelijkbare ruimte krijgen Johnnie Ray, Joan Baez, Pete Seeger, Hank Williams, Howlin' Wolf en tientallen anderen, om van de vele Dylan-songs nog maar te zwijgen.

Scorsese (1942) en Dylan (1941) zijn generatiegenoten, iets ouder dan de babyboomers die hun fans werden. De film beslaat vooral de opkomst van Dylan (1959-66), waarvan het einde werd gemarkeerd door de Britse tournee, toen puristische folkliefhebbers hem wegens het versterken van zijn muziek voor verrader uitscholden, gevolgd door zijn motorongeluk. Het publiek wilde in Dylan de vlaggendrager zien van de verbeelding aan de macht; Scorsese ziet wat anders, iets dat uiteindelijk meer met Minnesota dan met New York te maken heeft. Zo rehabiliteert Scorsese het min of meer negatieve beeld dat Dylan aankleefde sinds D.A. Pennebakers eerdere portret Don't Look Back (1967).

Zo'n televisie-evenement mag je niet laten schieten voor Nova of Barend & Van Dorp. Het aansluitend door BBC2 uitgezonden Newsnight begon een item over de machtswisseling bij Labour met The Times They Are A-changin' en een pastiche op de allereerste videoclip: Dylan die in Don't Look Back papieren borden wegwerpt met kernwoorden uit Subterranean Homesick Blues.

www.bbc.co.uk/music/bobdylan.

    • Hans Beerekamp