Geen rechten zonder plichten

In het redactioneel commentaar van deze krant van 21 september staat dat het stellen van een eis aan huwelijksmigranten om te kunnen lezen en schrijven, in strijd zou kunnen zijn met hun recht om te kunnen trouwen. Dat is een in internationale verdragen verankerd recht, een van de mensenrechten dus.

Het gaat altijd weer over mensenrechten. Maar rechten en plichten zijn twee kanten van één en dezelfde munt. Zelfs de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) stelt dat een ieder plichten jegens de gemeenschap heeft ,,zonder welke de vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid niet mogelijk is''. Eén zo'n plicht geldt het onderwijs: iedereen heeft recht op onderwijs; het lager onderwijs zal verplicht zijn. Het staat landen bovendien vrij die leerplicht uit te breiden tot na de lagere school.

Naast de vele burger- en politieke rechten, waarbij het individu en zijn rechten centraal staan, zijn er ook sociaal-economische rechten. Daarbij wordt de samenleving, de staat, verplicht om bijvoorbeeld onderwijs en gezondheidszorg aan te bieden en in het algemeen een klimaat na te streven waarin een ieder werk kan vinden. Het gaat hierbij niet om eenrichtingsverkeer. De staat kan bijdragen van de individuele burgers eisen (belasting, inzet): er rust een inspanningsverplichting bij het individu om het de overheid mogelijk te maken de omstandigheden te scheppen om voor een ieder een optimale levensstandaard te bereiken. Die wisselwerking luistert nauw. Mag een staat bijvoorbeeld eisen dat een gezin zich beperkt tot één kind, zodat daadwerkelijk onderwijs, gezondheidszorg en werk geboden kunnen worden?

In dit spanningsveld moeten de verplichtingen van huwelijkspartners waarbij sprake is van een migratoire beweging, bezien worden. De Vreemdelingenwet stelt dat vreemdelingen alleen welkom zijn wanneer dat verplicht is onder internationale verdragen, wanneer dat een wezenlijk Nederlands belang dient of wanneer humanitaire aspecten een rol spelen. Het algemene uitgangspunt is dat het recht op een gezinsleven van invloed is op de toepassing van de Vreemdelingenwet, met andere woorden, dat hier tot op zekere hoogte sprake is van een internationale verplichting. Overigens is niet gezegd wáár, in welk land, dat gezinsleven zou moeten plaatsvinden; daar ontbeert het individu een absolute keuzevrijheid.

Daarnaast gaat het recht op een gezinsleven gepaard met plichten jegens de ontvangende samenleving. Niet ten onrechte wordt nu gesproken over enerzijds de verplichtingen van de ontvangende partner (inkomen, woonruimte, ziekteverzekering, enzovoorts) en verplichtingen van de binnenreizende partner (inburgeringsexamens). Die eisen moeten gezien worden in de algemene context waarbinnen een overheid een aantal verplichtingen waar moet maken (levensstandaard, onderwijs, gezondheid). Om dat te kunnen, mag een overheid eisen stellen jegens die onderdanen en in nog sterkere mate jegens nieuwkomers, dus ongeacht de juridische status van die nieuwkomers.

Om goed in een moderne samenleving te kunnen functioneren, is het kunnen lezen en schrijven een absoluut minimum. Daarnaast moet een nieuwkomer de taal van het ontvangende land in voldoende mate machtig zijn.

Peter van Krieken is verbonden aan de Webster University in Leiden.