Containerbegrip vertroebelt waterdebat

Het artikel `Water voor de wereld' (NRC Handelsblad, 16 september) is terecht vol lof over de Nederlandse beleidsdoelstelling om miljoenen mensen in ontwikkelingslanden aan betaalbaar drinkwater te helpen en over het concrete voorbeeld van de projecten van het Waterfonds Indonesië. Weinig overtuigend is de nadruk die minister van Ardenne (Ontwikkelingssamenwerking) legt op zogeheten `publiek-private samenwerking' (ppp's). In de Indonesische voorbeelden gaat het om samenwerking tussen lokale publieke waterbedrijven en Nederlandse waterleidingbedrijven, die eveneens volledig in publieke handen zijn. Het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking zorgt voor aanvullende financiering ten behoeve van verbetering en uitbreiding van het waterleidingnet, maar er zijn geen private partijen bij betrokken. Deze projecten zijn dus geen ppp's, maar voorbeelden van geslaagde publiek-publieke samenwerking.

Het gebruik van het containerbegrip `publiek-private samenwerking' vertroebelt het waterdebat. Ook de waterconcessies in ontwikkelingslanden van beursgenoteerde multinationals als Suez of Veolia worden meestal omschreven als ppp's, terwijl het de facto om privatisering van de drinkwatervoorziening gaat.

De overheid blijft weliswaar eigenaar van het water en van (delen van) de infrastructuur, maar verder wordt de drinkwatervoorziening bij deze ppp's overgelaten aan bedrijven die in eerste instantie verantwoording schuldig zijn aan de aandeelhouders, en niet aan de lokale bevolking.

    • Corporate Europe Observatory
    • Olivier Hoedeman