WK wielrennen toonbeeld van mondialisering

De internationale wielerunie UCI kan tevreden naar de einduitslag van het WK bij de mannen kijken. Mondialisering staat bij die organisatie – al of niet door het Internationaal Olympisch Comité ingefluisterd – hoog op de agenda en zelden hebben zoveel nationaliteiten daadwerkelijk om de medailles gestreden als gisteren in Madrid.

Van de groep van 23 renners die als eerste in dezelfde tijd binnenkwamen zijn maar liefst vijftien nationaliteiten vertegenwoordigd. De medailles gingen naar de traditionele wielerlanden (België, Spanje en Frankrijk), maar een Braziliaan (Murilo Fischer) eindigde als vijfde en hij moest een Zweed, Marcus Ljungquist, voor laten gaan. Behalve de Nieuw-Zeelander Julian Dean (negende), zaten ook de Kazach Alexander Vinokoerov (21ste) en de Amerikaan Guido Trenti (23ste) als niet-Europeanen in de voorste gelederen.

De hang naar internationalisering heeft ook een schaduwzijde, want de komst van `exotische' renners gaat ten koste van de traditionele landen of erkend sterke rijders. Het peloton mag immers niet te groot worden. Eerder ging het maximum aantal renners al van twaalf naar negen, maar zwakke Europese landen mogen soms maar één renner vertegenwoordigen, ook al is dat een topper. Zie bijvoorbeeld de Noor Thor Hushovd (groene trui in de Tour) die met een sterke ploeg tot de kanshebbers zou behoren. Gisteren eindigde hij als solorijder als 115de. Hij zal verbaasd hebben gezien dat Iran maar liefst zes startplaatsen had, waarvan drie renners gebruik maakten. Slechts één van hen, Mahdi Sohrabi, voltooide de 273 kilometer in de straten van Madrid, op bijna een half uur van de winnaar.