In conclaaf over renteverschil

De top van de wereldeconomie maakt zich steeds meer zorgen om de onevenwichtigheden in het economische én het financiële systeem.

De doorbraak bij de kwijtschelding van de schulden aan de allerarmste landen mag dan het meest aansprekende nieuws zijn van de jaarvergaderingen van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank, op de achtergrond ging er afgelopen weekeinde nóg een kogel door de kerk.

Hoewel de ministers van Financiën en centrale bankiers van de zeven grootste industrielanden, de G7, er niet over repten in hun gezamenlijke verklaring, lekte uit dat zij vrijdagavond geruime tijd hebben stilgestaan bij de huidige toestand op de internationale financiële markten. Voornaamste gesprekspunt: de zeer kleine renteverschillen die op dit moment gelden tussen de meest veilige Westerse staatsleningen en veel riskantere bedrijfskredieten en leningen aan opkomende markten.

Normaal zijn deze verschillen (spreads) een uitdrukking van het risicobewustzijn van beleggers. Hoe wankeler het krediet, hoe hoger de rente die wordt gevraagd. Dat de verschillen zo klein zijn geworden als op dit moment het geval is, zou dus betekenen dat de wereldeconomie er over de gehele linie zó gezond voor staat dat beleggers weinig verschil meer zien tussen een lening aan de Nederlandse of de Braziliaanse staat, of tussen ABN Amro en een, zeg, Filippijnse onroerend-goedmaatschappij.

De alternatieve verklaring is dat er op dit moment te veel geld achter te weinig mogelijkheden aanholt. In de zoektocht naar rendement drijft de overtollige liquiditeit de prijzen op van leningen, en verlaagt daarmee hun effectieve rendement – de rente. De situatie wordt als dermate zorgwekkend ervaren dat de commerciële bankwereld, verenigd in het International Institute of Finance (IIF), al een waarschuwing deed uitgaan naar de G7. Kernvraag: worden risico's op dit moment nog wel voldoende weerspiegeld in de prijsvorming op de financiële markten?

Hier raakt het onderwerp van de flinterdunne `spreads' aan het heetste hangijzer van de wereldeconomie: het groeiende gebrek aan evenwicht tussen met name de Verenigde Staten en een groot deel van de rest van de wereld. De Verenigde Staten consumeren te veel en sparen dus te weinig, en moeten per dag bijna 3 miljard dollar `importeren' uit de rest van de wereld. De rest van de wereld, zo stelde het IMF woensdag in zijn World Economic Outlook, investeert en consumeert te weinig en stuurt zijn overtollige spaargeld naar de VS. Het Amerikaanse tekort op de betalingsbalans staat op meer dan 6 procent van het bruto binnenlands product, en dat is bij een land van die omvang nog nooit voorgekomen.

Wat hebben deze `global imbalances' en de lage rente gemeen? Een van de lezingen is dat er een gemeenschappelijke oorzaak is: het veel te soepele geldbeleid dat in de afgelopen jaren in de Verenigde Staten is gevoerd. Dat maakt via allerlei kanalen de overconsumptie mogelijk die leidde tot het externe tekort van de VS, en dreigt wereldwijd een zeepbel te creëren op de financiële markten.

Al tijdenlang draagt de G7 uit dat er een oplossing gevonden kan worden door in Europa door middel van verdere hervormingen de economische groei, en daarmee de consumptie, aan te jagen. Azië, en dan vooral China, zou flexibeler wisselkoersen (lees: een opwaardering van de munten) moeten nastreven om zo de handelsverhoudingen met met name de VS recht te trekken. Maar, zoals minister Zalm van Financiën zaterdag constateerde: ,,Tachtig procent van het probleem ligt bij de VS.'' Dat is een mening die in grote lijnen door de bankiers van het IIF wordt gedeeld. Méér sparen in de VS, door burgers maar ook door de overheid middels een verlaging van het begrotingstekort, geldt als een oplossing.

Diverse recente ontwikkelingen maken dat het probleem waarschijnlijk alleen maar groter wordt. Hervormingen in Europa zijn minder zeker nu er een politieke patstelling is ontstaan na de Duitse verkiezingen van vorige week. China heeft deze zomer een ietwat flexibeler wisselkoersbeleid ingevoerd, en deed daar vrijdag vlak voor de G7 nog een goed getimed schepje bovenop, maar dat heeft in de praktijk nauwelijks tot een duurdere munt geleid.

In de Verenigde Staten denderen de huizenprijzen door, en de groeiende papieren rijkdom ontslaat de consumenten nog steeds van de noodzaak te sparen. De orkanen Katrina en Rita zorgen voor een kostenpost bij de overheid van 150 tot 200 miljard dollar (165 miljard euro), die het begrotingstekort op de korte termijn kan opdrijven tot boven de 4 procent.

Er komt een zogenoemde `schokfaciliteit' bij het IMF voor landen die door een externe schok, zoals een prijsstijging van grondstoffen (olie) of een ramp in de problemen komen.

IMF-voorzitter Rodrigo de Rato wees de jaarvergadering zaterdag in ongewoon klare taal al op de precaire situatie. Dat de G7 zich buigt over de prijsvorming op de financiële markten is veelzeggend, en het is voorstelbaar dat men dat liever binnenskamers had gehouden. Beleidscoördinatie is op dit punt van groot belang. De bankiers het IIF wezen dan ook op de noodzaak van de G7-plus-Rusland een G11 te maken door China, India en Brazilië aan boord te halen.

Maar van een doorbraak op het punt van de onevenwichtigheden in de wereldeconomie was dit weekeinde geen sprake. Maar wie weet doet de wereldeconomie zelf het vuile werk wel. Van de sterk gestegen olieprijs wordt verwacht dat die kortstondig opduikt in de inflatiecijfers. Maar als opwaartse invloed op de inflatie structureler blijkt, dan kunnen de extreem lage rentevoeten op de financiële markten onhoudbaar blijken. En kunnen beleidsmakers en bankiers zich schrap zetten voor een hardhandige finale.

    • Maarten Schinkel