Bulgaria

Na het inleveren van mijn ochtendplas in de badkamer stond ik zondagochtend om tien uur slaperig naar de eerste kilometers van het wereldkampioenschap te kijken. De renners waren zo fris als hoentjes en moesten nog 270 kilometers afleggen op het stratencircuit van Madrid.

De Nederlandse verslaggevers Smeets en Ducrot zagen geen snars. De zon stond op hun gezicht en het beeldscherm. Ze moesten gissen naar de naam van de eerste renner die uit het peloton wegreed.

,,Het is Krasimir Vasilev!'' Hielp ik. Vasilev droeg Bulgaria op zijn shirt, dat niets met yoghurtreclame maar alles met zijn land van herkomst te maken had. Hij had een vermoeid gezicht en hield zijn hoofd scheef terwijl hij door de lege straten reed. Madrid deed denken aan het verlaten Houston in afwachting van het binnenrazen van orkaan Rita.

Het woord `saai' viel op tv. Een wereldkampioenschap saai? Nooit. In de klassieke muziek vinden we een prelude de gewoonste zaak van de wereld. Het voorspel sleept je bijna geniepig naar het hoogtepunt. De lange wielerdag is uitgevonden om in je eigen geest te dwalen, er is alle tijd van de wereld. Kom daar maar eens om op een normale werkdag.

Met een kop thee in mijn handen zag ik hoe de oude Bulgaar tussen de scheve `twin towers' doorreed. Mijn lief keek even mee. Ze meende een plein te herkennen dat we ooit met onze oude Kever driekwart genomen hadden. En ik wist weer dat die Kever na een mooie hotelnacht was opengebroken. De Spaanse dief had alleen een handdoek gestolen.

Vasilev maalde voort op een te zwaar verzet. Zijn verzorger stond langs de kant met een rode bidon uit 1967, waarschijnlijk ook gebruikt door Vasilev senior. Het ding was verkleurd door de zon. ,,Kijk, iedereen is zich aan het voeden'', zei verslaggever Ducrot. Ik kreeg zin met een kruiwagen vol brood en schillen de internationale wielertrog te vullen. Vreten, jongens, vreten, nog 250 kilometer.

Saai? Noem mij een dag waarop je uren naar een fietsende Bulgaar mag kijken? De kenners die deze koers saai noemen, weten van zichzelf dat ze eigenlijk geen minuut van de koers kunnen missen. Ik merkte het zelf ook. Ik ging het laatste deel bij vriend Peter kijken in Heerjansdam. Het was maar een kwartier rijden en toch had ik het gevoel of ik de methadonbus had gemist.

Weer voor de tv grossierde ik in mogelijke winnaars: Valverde, Van Bon, Vinokourov, Bettini. De sprinters zouden het tegen deze mannen moeten afleggen. Vasilev stapte af. Hij leek wel honderd.

Bettini reed sensationeel sterk. Zo sterk, dat hij – gewild of ongewild – in een positie kwam dat zijn eigen ploeg met sprinter Petacchi bijna schaakmat stond. Hij moest het nu alleen opknappen in een sterke kopgroep. Maar zowaar, de Fransen en Australiërs gingen op kop rijden en hielpen de Italiaanse ploeg weer aan een degelijke positie in de wedstrijd.

De koers ontplofte. Ik sprong van de bank. Het was niet bij te houden. Ik zag ondermijning van het gezag, geschonden beloftes, hypocrisie, granaatinslagen en verraad op de weg. De spanning in Heerjansdam werd ondraaglijk. We stonden als fans voor de televisie te schreeuwen. ,,Rijen nu, rijen. Gaan! Blijf zitten. Kijk uit, achter je. Ze komen niet meer terug. Ze komen verdomme wél terug. Gaan, Boogerd. Daar, een gaatje! Hè? Boonen? Ongelooflijk.''

We zakten terug in de bank. Dit was de mooiste eendaagse wielerwedstrijd van het jaar. En wat goed dat Lance Armstrong niet bij dit slotfeest aanwezig was. Dit was fietsen in zijn puurste vorm. Om stil van te worden.