Buitenschoolse opvang

Het voorstel van de VVD om de scholen voor buitenschoolse opvang van kinderen te laten zorgen, is welkom en komt onverwacht. Tot nu toe heeft de overheid in samenspraak met de onderwijsbonden de opvangtaak voor kinderen van werkende ouders steeds afgehouden. Het Nederlandse onderwijssysteem is gericht op beschikbaarheid gedurende de dag van een ouder – meestal de moeder.

Vroeger surveilleerden leraren of onderwijzers nog zelf in wisselende diensten. Nu wordt de surveillance in stand gehouden door houtje-touwtje-organisaties van ouders met betaalde vrijwilligers die door de belastingdienst op de hielen worden gezeten. Het is al een revolutie dat vanaf 1 augustus volgend jaar het schoolbestuur verantwoordelijk wordt voor de opvang tijdens de pauzes. Vrijwel overal in de wereld is dat normaal. Tegenover deze stap vooruit staat de stap achteruit van een vierdaagse schoolweek. Die is op sommige basisscholen al deels ingevoerd en een nieuwe wet moet deze mogelijkheid iets verruimen, zodat de week voor ouders nog grilliger wordt. De benaming van dat plan, flexibilisering schooltijden, slaat op het gemak voor het onderwijspersoneel, niet voor de leerlingen en de ouders.

De plicht van scholen om voor buitenschoolse opvang te zorgen, staat haaks op het tot nu toe gevoerde beleid. Onderwijskundigen en leraren vinden dat kinderopvang iets voor yuppie-ouders is en niet op school thuishoort. Dat stemt overeen met de sterke Nederlandse voorkeur voor deeltijdwerk voor ouders, meestal de moeders.

Het is al grote vooruitgang als de school, net als elders ter wereld, verantwoordelijk is voor de hele lesdag. Dat betekent ook dat middelbareschoolkinderen niet tijdens de talloze vrije tussenuren de straat op worden gestuurd om massaal de naburige winkels en straten te bevolken.

Buitenschoolse opvang is de volgende noodzakelijke stap. Het helpt ook de integratie van immigrantengezinnen. Dat betekent niet dat elke school deze opvang meteen zou moeten invoeren. Dat is ook niet mogelijk omdat veel scholen, vooral basisscholen, in te kleine gebouwen huizen om kinderen van half negen tot zes te kunnen bezig houden. Kinderen kunnen niet de hele dag in een klaslokaal blijven zitten. Er moeten ook sportmogelijkheden zijn en liefst een kantine. Bovendien zijn er veel ouders die geen buitenschoolse opvang wensen. Het heeft dus geen zin om massaal basisscholen te laten fuseren of naar de rand van de stad te laten verhuizen om voor ieder kind een opvangplaats te regelen. Het is al winst als werkende ouders die deze opvang nodig hebben, een school kunnen vinden die daarvoor tegen een redelijke vergoeding kan zorgen. Bij schaarste moeten ouders met werk voorrang krijgen.

Buitenschoolse opvang is een vak dat niet zomaar aan elke bijstandsmoeder kan worden opgelegd, zoals VVD-fractieleider Van Aartsen suggereerde. Dat betekent niet dat mensen met een uitkering nooit kunnen worden ingeschakeld. Uitkeringsgerechtigden werden ook met succes als schoolconciërge ingezet.

Van Aartsen hoeft niet ver te zoeken naar voorbeelden. Vlak over de grens, in Vlaanderen, is goed te zien hoe buitenschoolse opvang kan functioneren.