Ze móésten die zaak rondkrijgen

`Mijn hele leven heb ik me geschaamd voor mijn ouders. Mijn moeder was huisvrouw, mijn vader ex-militair. Zoon zijn van mijn vader en moeder, uit een beschaafd burgerlijk nest, dat was niets voor mij. Ik had hogere dromen. Dus ik kleurde dat in. Dat ze in een groot huis woonden, veel geld hadden, dat het een warm nest was. Mijn moeder had in een concentratiekamp gezeten, maar hoe ze daar terechtgekomen was, was niet duidelijk. Gaf niet. Wat me niet uitgelegd werd, verzon ik er zelf bij.

Ik ging het huis uit op mijn veertiende, nadat ik mijn ouders verteld had dat ik homo was. Ik ben helemaal losgeslagen; liet me door tig mannen onderhouden. Oudere mannen, die natuurlijk ook iets terugverlangden. Ik kwam in Amsterdam, ging stappen in nichtenkroegen. Wiet roken, in het weekend mijn neus vol. Ik had altijd wel werk, als leerling-bejaardenverzorger, en ik spendeerde en spendeerde.

Dat hou je niet vol, het sloopt je. Ik kreeg hepatitis, lag maanden in het ziekenhuis, ben teruggegaan naar huis. Maar het boterde niet met mijn moeder. Ik ging op kamers wonen in Bussum en leerde de betere kringen van Hilversum kennen. Luxe terrassen in plaats van donkere kroegen. In die periode werd Bart van der Laar vermoord, een platenproducent. Ik had hem een paar keer gezien in de kroeg, waar hij geld stond uit te geven. Hij was mooi, blond en slank. We zijn ook nog de koffer in gedoken. Toen hij vermoord werd, kwamen er rechercheurs bij me langs om te vragen wat ik wist. Dat was bitter weinig.

In de twee jaar daarna groeiden mijn wilde verhalen me boven het hoofd. Mensen lieten me vallen; daar had je die mafkees weer. Ik wist wel dat ik niet spoorde. Als je lulverhalen gaat ophangen, heb je of eigenlijk niets te vertellen, of je hebt geen enkel zelfvertrouwen. Je verkoopt lucht, je bent niets. Ik zocht hulp, maar de therapeut zei: jouw enige probleem is de band met je moeder. Ik verhuisde van Bussum naar Baarn en daar sloegen eenzaamheid, depressie, geldzorgen toe. Tot ik iets móést doen om de aandacht op me te vestigen. Dat was achteraf cruciaal: ik had mezelf niet meer in de hand.

Er kwam een uitzending van Opsporing Verzocht. Ik heb gebeld en met verdraaide stem gezegd dat ik meer wist over de moordenaar van Bart van der Laar. Het was anoniem. Mij ging het om de aandacht. Maar ze traceerden dat telefoontje. 's Ochtends vroeg, 17 januari 1983, stond de politie op de stoep. Ik was vooral verbaasd. Ik voelde me geen verdachte, maar dat was ik wel.

Op het bureau weerlegden ze al mijn verklaringen. `Ik ben daar en daar geweest.' `Dat is een leugen.' `Ik heb dat en dat gedaan.' `Dat is een leugen.' Ik begon om medicijnen te vragen. `Eerst bekennen.' Ik vroeg om een advocaat. `Eerst bekennen.' De hoofdinspecteur zei: `Beken nou man, dan voelt je moeder zich ook beter.' Zij was ernstig ziek. Tien minuten later kwam mijn moeder aan de telefoon: `Beken maar, ze komen er toch wel achter dat je het niet hebt gedaan.'

Aan het eind van de middag stortte ik in. Ik bekende. 's Avonds kwam er een GGD-arts en kreeg ik medicijnen.

De volgende ochtend begon het echte verhoor, waarin duidelijk moest worden dat ik dingen wist die alleen de dader zou kunnen weten. Het scenario was dat ik een andere jongen uit het huis van Bart van der Laar had zien komen, dat ik er niet meer tegen kon, ergens een wapen had gehaald en hem had doodgeschoten.

Ik kreeg multiple choice vragen. Weet je nog wat voor wapen het was? Was het groot? Was het klein? Ze pakten er een wapenboek bij. Was het zo'n geweer? Nee, het was geen jachtgeweer. Was het zo'n pistool? Nee, het was geen gaspistool. Ik zei: `Volgens mij was het die'. Dan wordt er getypt: `Verdachte beschrijft het wapen dat hij voor het delict heeft gebruikt.' Niet: `Op vragen van ons met een wapencatalogus wijst verdachte dat en dat wapen aan.'

Ze vroegen of ik wist wat voor kleren hij aanhad. Ik zeg ja, een badjas. Ik wist dat. Er zat twee jaar tussen mijn arrestatie en de moord en er was genoeg over gepubliceerd in de roddelbladen. Natuurlijk ga je dat lezen, als homo, omdat je hem kent. In de verhoorkamer lagen ook overal knipsels. Er stonden ook wel eens foto's bij.

Was het een donkerblauwe of een gestreepte badjas? Een gestreepte, zei ik. Toen zeiden ze: `ja, dat klopt'. En: `Dat is iets wat alleen de dader kan weten'. Je denkt dan: doe maar jongens, doe maar. Als je mij maar met rust laat, niet meer uitknijpt, een matras geeft zonder papieren lakens.

De ene rechercheur, een grote grijsaard, kwam heel intimiderend over. Zei dat ik niet mocht roken. En dan weer wel. En dan weer niet. Die andere deed lief en dan schopte de eerste weer bijna de poten onder mijn stoel vandaan. Die andere rechercher heeft nog een keer gezegd: `Je loopt toch niet te bekennen om ons een plezier te doen?' Voor de rechter is dat gebruikt om aan te tonen dat er geen extreme druk was uitgeoefend. Maar stel dat je dan ja zegt. Dan begint het gesodeflikker van voren af aan.

Zelf heb ik zelf nooit getwijfeld of ik het had gedaan. Ik was geen borderliner, dan weet je niet meer wat wel en wat niet waar is. Ik was een fantast. Ik verzon van alles, maar was me daar altijd van bewust.

Het verblijf in de politiecel leverde een hoop aandacht op. Ik was belangrijk! Mijn vader kocht Agatha Christie-boeken voor me en pistachenootjes. Ik had eerder het idee dat de rechercheurs me zouden ontmaskeren als leugenaar dan als moordenaar. Dat ze zouden zeggen: `Je kan lullen wat je wilt, maar je hebt het echt niet gedaan.'

Ik kwam in het Pieter Baan Centrum. Dat was onwerkelijk. Wel gezellig. Ik was het homootje, ik bracht leven in de brouwerij. Ik had het nergens over, tot het ter sprake kwam in de gesprekken: had ik het nou wel of niet gedaan? Daar hebben ze tegen me gezegd: `Als je het niet gedaan hebt, moet je je verklaring intrekken.' Toen ben ik wakker geworden, toen kwam de angst: als dit zo doorgaat, hang ik. Na zes weken trok ik mijn bekentenis in.

Dat werd wel serieus genomen. Mijn rechtszaak heeft twee jaar geduurd en in elke zitting is er twijfel uitgesproken. Er waren geen getuigen, geen vingerafdrukken, er was geen wapen en ik had een alibi. Desalniettemin vond de rechter-commissaris dat ik te veel details wist om het niet te hebben gedaan.

Ik denk zelf dat het rapport van het Pieter Baan Centrum me de das om heeft gedaan. Dat heb ik opgevraagd. Er staat in dat ik een stoornis had. `Vanuit een zeer problematische relatie met moeder heeft betr. een zeer sterke behoefte zich in het centrum te plaatsen. Hij moet de aandacht krijgen: hij zorgt ervoor dat hij die krijgt en kan het niet verkroppen als hij die eens niet krijgt.' Ik kon een narcistisch gestoorde gek zijn en het daarom hebben gedaan.

In hoger beroep ben ik wegens doodslag veroordeeld tot twee jaar en tbs. Tbr, heette dat toen nog. Ik had nog in cassatie kunnen gaan. Maar mij werd verteld dat dat weer twee tot drie jaar kon duren. Al die tijd zit je in het huis van bewaring, zonder behandeling. Dan komt de cassatie en heb je kans dat de zaak heropend wordt. Zo niet, dan heb je drie jaar voor lul zitten wachten en dán kun je nog eens beginnen aan de tbs.

Ik kwam terecht in het selectie-instituut in Utrecht. Daar heb ik het huwelijk van Lady Di nog gezien. In 1985 ging ik naar de Van der Hoevenkliniek. De groepsleiders begonnen nooit over het delict. In hun rapporten staat eigenlijk niets anders dan dat ik een een jongen ben die wilde verhalen vertelt, waar je je vraagtekens bij kunt zetten. Ik had het weleens over de nichtenkroegen, de nichtensauna's, de restaurants waar ik gegeten had. Dan zeiden ze: `Ja, ja, dat is fantasie.' Terwijl dat nu juist geen fantasie was.

In '89 rapporteerden twee psychiaters onafhankelijk van elkaar aan de rechtbank: van deze meneer kan van alles verwacht worden, maar geen recidive. Toen daarna de tbs-verlenging diende, stond ik binnen vijf minuten op straat. Een maand eerder was mijn moeder overleden aan kanker.

Tóén werd ik gek, hoor. Hoe nu verder? Moest ik tegen mensen zeggen: `Ik ben een moordenaar en met succes behandeld?' Of: `Ik ben geen moordenaar maar ik heb het wel bekend, om de aandacht.' Je krijgt relaties en díé dumpt je, díé dumpt je, díé dumpt je. `Je hebt het echt wel gedaan, je bent gewoon gestoord.' Ik was niet betrouwbaar. Ik ging weer te veel drinken, wiet roken, raakte dakloos, kwam terecht in een opvanghuis voor daklozen. Daar ben ik op de tranquilizers gezet. Op een gegeven moment woog ik 110 kilo.

In 1993 overleed ook mijn vader. Op de crematie zag ik voor het eerst mijn familie terug. Ik zat op de verwarming met een vriend uit het opvanghuis. Er stond een tafel met koffie en koekjes. En daarachter zag ik mijn hele familie staan, met de rug naar mij toe. Dat beeld zal ik nooit vergeten. Ik dacht: `Waarom kijken ze me niet aan?' Toen ik terugkwam in het opvanghuis, wist ik dat ik alleen was. Mijn familie wilde niets meer met me te maken hebben. Ik was wees. En ik dacht: ik moet maar eens ergens mee beginnen.

Ik ben gaan afkicken van de medicijnen. In vier maanden was ik clean. Dan maar in het zonnetje gaan zitten, desnoods huilend. Ik ben in een project voor begeleid wonen gekomen. Dat ging goed. Ik hoefde me niet meer te bewijzen, ik hoefde niet meer moeilijk te doen over of ik nou een moordenaar was of niet. Mijn moeder was dood. Mijn vader was dood. Het deed er niet meer toe.

Na anderhalf jaar kreeg ik een flatje en daar woon ik nu nog. Intussen ben ik getrouwd, met een man. Voor hem is het zoals ik zeg dat het is. Wij zijn donorvader van een prachtige jongen. We hebben ook een dochter gekregen, maar zij is in april overleden. Haar dood heeft me aan het denken gezet over de demonen die mij wakker houden. Elke keer weer die droom, dat ik in een cel zit en weg mag. Maar dat dan de rechter-commissaris binnenkomt en zegt nee, nee nee, je krijgt weer tbs. De deur wordt dichtgedrukt. In mijn droom zie ik mezelf huilen: ik hou dit niet vol, ik wil dood. Uiteindelijk heb ik de deur beet en word ik wakker. Wanneer houdt dat op?

De laatste jaren heb ik een paar keer gesolliciteerd. Dan vragen ze of je in aanraking bent geweest met justitie. Ja. Voor een verkeersboete? Nee, een geweldsdelict. Oké, doei! Dat is een grote frustratie. Ik wil geen schouderklopje van het komt wel goed, hou je nu maar rustig. Ik heb een zoon. Een man. En wie zegt dat ik op mijn leeftijd geen carrière kan maken? Het boek moet dicht. Daarom heb ik de krant gebeld om mijn verhaal te vertellen.

Of de echte dader wel of niet gepakt wordt, zal me worst zijn. Maar wel denk ik: als de zaak nu bekeken zou worden, met de huidige rechtsgang, het huidige mediaspektakel, dan zou duidelijk zijn dat er ontzettend gestunteld is. Ik ben op exact dezelfde manier verhoord als Cees B. of Maikel van die moord in Schiedam. Het is een schok, maar ook een soort verademing om daarover te lezen. Ik ben dus niet gek.

Van de rechercheurs kan ik begrijpen waarom ze zich zo hebben gedragen. Er was een platenproducent doodgegaan. Er was sprake van coke, het was een broeierige zaak. Er was grote druk van de publieke opinie. Plus de blamage voor de politie dat ze er geen vinger achterkregen.

Ik ben vooral boos op de inspecteur die mijn moeder als pressiemiddel heeft gebruikt en op de rechter-commissaris. Die zie ik als degene die de hele boel onder druk heeft gezet. Ze móésten die zaak rondkrijgen.

Er zullen mensen zijn die zeggen: hij is een fantast, hij heeft dit ook weer verzonnen. Dat kan. Maar er zijn inmiddels wel meer mensen geweest die schuld hebben bekend aan iets waar ze niets mee te maken hadden. Een vriend van mij gaat een internetdossier aanleggen met alle gegevens die over de moord te vinden zijn. Dan kan iedereen zien dat ik maar een klein jongetje was, dat een suikerklontje wilde van de aandacht die de jetset kreeg. Dat de zaak al twee jaar oud was en het voor de politie een verademing was dat ik toen binnenkwam en zei: ik heb het gedaan.'

Wilt u reageren? Stuur uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam

    • Joke Mat