Waarheidsvinding

Vorige week opende het Zaterdags Bijvoegsel met een interview met Ton Broeders, `chief scientist' van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Een oud-rechter stuurde de volgende brief.

In het interview worden de vragen gesteld of onderzoekers van het NFI al langer twijfelen `aan de eerlijke procesgang' en: `hebben ze zich nu alleen voor het eerst uitgesproken?' In mijn eigen loopbaan als strafrechter heb ik in elk geval eenmaal meegemaakt dat het NFI met zo'n probleem zat. Het ging om een (andersoortig) levensdelict. De politie had met gebruikmaking van een gepubliceerde Duitse onderzoeksmethode rapport uitgebracht (geen DNA-zaak). De rechtbank twijfelde aan de (voor de verdachte ongunstige) uitkomst en liet het NFI nader onderzoek doen.

Er gebeurden twee opmerkelijke dingen. Ten eerste vroeg het NFI toestemming om de Duitse methode empirisch te testen (dat stond niet letterlijk in de onderzoeksopdracht). Goede vraag, natuurlijk, als er maar over wordt gerapporteerd! De methode bleek vervolgens niet op betrouwbare wijze reproduceerbaar. Die bevinding was van ultiem belang voor het bewijs.

De zitting moest om andere redenen worden aangehouden. Kort nadien werd ik door een redelijk ontdaan NFI gebeld met de mededeling dat de zaaksofficier een aantal hoogstpersoonlijke hypothesen aan het NFI had voorgelegd met het verzoek die eens te bekijken, met de kennelijke bedoeling toch nog wat bewijs te verkrijgen. Het NFI voelde goed aan dat dit op zijn minst een ongebruikelijke gang van zaken was. De betrokkene deelde mij mede dat hij aan de officier de voorwaarde had gesteld de rechtbank en de verdediging van een en ander onverwijld op de hoogte te stellen, alleen al omdat hij anders ontlastend bewijs zou kunnen achterhouden. Dat was blijkbaar nodig. De rechtbank wist van niets.

Broeders zei in het interview: ,,De rechter moet alle informatie hebben. Daar hadden ze naartoe moeten gaan.'' Zo is het maar net en dat is precies wat deze medewerker van het NFI een jaar of drie, vier geleden deed. Maar het was duidelijk dat hij het doodeng vond. Die angst is ten onrechte, zoals gelukkig ook uit het interview blijkt (,,In deze zaak had men, achteraf gezien, de telefoon kunnen pakken en even kunnen bellen met de rechter-commissaris''). Het gaat om waarheidsvinding, niet om een product in de procesindustrie. De verdachte is vrijgesproken, ook in het hoger beroep dat de officier instelde.