Noodzaak van toeslag op vliegtickets is een raadsel

Een toeslag op vliegtickets ten bate van de ontwikkelingshulp: voor een aantal landen in de EU klinkt dit als het ei van Columbus. De Duitse minister Eichel (Financiën) kwam begin 2005 met dit idee, waarna hij bijval kreeg van onder anderen de Franse president Chirac. Eichels idee was geënt op een belasting op kerosine, maar inmiddels ziet het er naar uit dat de mogelijkheid om zo'n belasting in te voeren nog even op zich laat wachten. Nu heeft de EU haar pijlen gericht op een toeslag op de vliegtickets. Wat is hiervan de achtergrond en is een maatregel die alleen gericht is op de luchtvaart terecht?

De internationale afspraak is dat de rijke landen 0,7 procent van hun bruto binnenlands product besteden aan ontwikkelingshulp. Nederland voldoet hier met 0,8 procent ruimschoots aan. Veel andere EU-landen hebben een probleem dit percentage te halen. De EU heeft wel maatregelen in het vizier gehad, bijvoorbeeld belastingen voor de scheepvaart en belasting op financiële transacties, maar deze maatregelen zijn naar de achtergrond verdwenen. Alleen over een eventuele toeslag op vliegtickets wordt nog gesproken.

Het is echter niet duidelijk wat de argumentatie is om via luchtvaart extra gelden voor ontwikkelingshulp te genereren. Eén argument dat ter sprake komt is dat de luchtvaartsector een gesubsidieerde sector zou zijn, omdat geen BTW over de tickets betaald wordt en geen accijns over de brandstof. En dus zou het terecht zijn deze sector te belasten met een toeslag.

Dit is onjuist, want over tickets voor binnenlandse vluchten wordt wel BTW geheven. Op internationale vluchten niet, maar dit geldt ook voor de internationale trein- en boottickets. De luchtvaartsector betaalt inderdaad geen accijns over internationale trajecten, maar wel over het volledige energieverbruik op niet-commerciële binnenlandse vluchten. Bovendien betaalt de luchtvaart haar infrastructuur volledig zelf, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de trein die subsidies ontvangt voor de infrastructuur. Van de totale kosten van een treinkaartje subsidieert de Nederlandse overheid ongeveer 60 procent.