Korte lontjes

Dit speelt zich af in een geluidsstudio. Het is een normaal hyperkribbig gesprek tussen een aantal postmoderne autochtonen van uiteenlopende leeftijd. Ze hebben geen ruzie, straks is er weer geen vuiltje aan de lucht maar nu praten ze op een toon alsof ze ieder ogenblik kunnen ontploffen. Ik geloof dat er een paar Bekende Nederlanders aan meedoen. Misschien zijn het wel allemaal Bekende Nederlanders. Ze voeren een klein drama op. Daar komt de ontknoping. Een vrouw zegt op een lieve, sussende, licht vermanende toon: `We hebben soms een iets te kort lontje in ons landje.'

De nieuwste bijdrage tot de literatuur van de openbare opvoeding. Vaak rijmt het. `Heer in 't verkeer', zei Henri Knap, de Dagboekanier van Het Parool al kort na de oorlog. `Fatsoen moet je doen', zei minister-president J.P. Balkenende aan het begin van zijn politieke carrière. Er is waarschijnlijk geen volk ter wereld waarop sinds het ontstaan van de massamedia zoveel vermaningen zijn losgelaten als het Nederlandse. Ik heb weleens voorgesteld, ze allemaal te verzamelen om er een boek van te maken. Iedere leuze met de naam van de auteur en zijn honorarium, de kosten van productie en de verspreiding, de levensduur van de campagne en het vermoedelijk effect. Ik ben bang dat dit een document van een verschrikkelijke vergeefsheid zou worden. Maar ook een toevoeging tot de vaderlandse geschiedenis. De conclusie zou dan zijn dat de gemiddelde Nederlander een pummel is, aan wiens gedrag de gemiddelde Nederlander zich dusdanig ergert dat hij de Nederlandse gemeenschap wil dienen door hem op het pad van de beleefdheid te brengen. Liefst met een rijmpje.

Waar komt die hardnekkige vergeefsheid vandaan? We zijn nu eenmaal een domineesland, is een gebruikelijk antwoord. Daar schieten we niets mee op. De Groningse socioloog P.J. Bouman was van plan, een `sociologie van de volte' te schrijven. Zoogdieren die op een te kleine ruimte bij elkaar zijn gedreven, gaan elkaar bijten, onherroepelijk, hoe gedresseerd ze ook mogen zijn. Mensen zijn ook zoogdieren, zoals Woutertje Pieterse juffrouw Laps al vertelde. Vleesetende zoogdieren, wel het best gedresseerd, maar in wezen van de ergste soort. Bouman kwam op zijn idee toen hier nog maar dertien miljoen mensen woonden. Hij is gestorven voor hij een letter van dit boek op papier had gezet.

Intussen zijn we met ons zestien miljoen, en de meeste van ons voorzien van enige apparatuur. De eigenschap van alle apparatuur is dat de eigenaar voor het gebruik meer ruimte nodig heeft. Voor een auto een parkeerplaats, de straat en de snelweg. Van je auto heb je minder lol naarmate de parkeerplaats verder van je voordeur is en je op de snelweg niet harder dan tachtig mag rijden terwijl het ding wel honderdtachtig haalt. Het ligt voor de hand dat Geert Wilders de maximum snelheid wil afschaffen. Voor iedere automoblist een remweg van honderd meter in plaats van dertig. Dat is in geval van nood drie maal de ruimte die hem nu is toegewezen. En als je buurman zijn blik toevallig voor jouw voordeur heeft geparkeerd, en jij hebt een cursus judo gedaan, mag je hem een arm uitdraaien. Vechtpartijen in het verkeer staan in Amerika bekend als road rage. Een normaal verschijnsel.

Bijna alle Nederlanders boven de acht hebben een of ander draagbare geluidsapparaat. Daar kan geen rijmpje iets aan doen, het is een eis van dit tijdsgewricht. In de tram roepen ze `Met mij!' of `Met Moniek!' in hun mobieltje, of iemand zit verdiept in zijn muziekgenot dat voor de andere passagiers klinkt als een aanlopend fietswiel. Op een mooie zomerdag hebben de mensen in de auto hun ramen open en hun megawattinstallatie op volle kracht, waardoor ze in het voorbijrijden in de openbare ruimte een auditief aandeel van ten minste vierhonderd vierkante meter in beslag nemen, zonder ruggenspraak met de voetgangers. Ik klaag niet, ik stel vast. Stel je voor dat de voetgangers voortdurend hard schreeuwend over het trottoir zouden lopen.

Om in normale tevredenheid te kunnen leven, hebben de zestien miljoen Nederlanders van nu - ik sla er een slag naar - een vijfmaal zo grote ruimte nodig als de twaalf miljoen van een halve eeuw geleden. Daar kunnen ze niets aan doen, dat is nu eenmaal zo. In het rijke Westen hebben we behoefte aan een veel groter existentievolume. En nu, al een paar jaar, worden we niet meer rijker, maar veel mensen een beetje tot veel armer. Hopend op betere tijden gaan ze meer lenen. Ze geloven het kabinet dat `na het zuur, het zoet' heeft aangekondigd, en ze raken nog verder in de knoei. Ik heb met hen te doen. Maar ze doen me ook een beetje denken aan een oud rijmpje waarmee vroeger de jeugd op het rechte pad werd gehouden. Hier komt het.

Stoute Piet ging nooit naar school of hij vroeg om centen,

En dan kocht hij balletjes, snoeperij of krenten.

Foei wat lelijk van die knaap, 'k mag niet met hem spelen,

Want het is maar zeker waar: van snoeperij komt stelen.

In ieder geval, geen wonder dat steeds meer Nederlanders steeds kribbiger worden en kribbigheid met kribbigheid beantwoorden. Dan zetten ze de radio aan en ze horen een éénaktertje met de boodschap dat ze een `te kort lontje' hebben. Weten al die luisteraars wat daarmee wordt bedoeld? En als ze het begrijpen, hebben ze dan niet de neiging om tegen het apparaat te roepen: kijk naar je eigen korte lontje? Dat is mijn vragenderwijs gestelde hypothese. En verder, omdat het in deze dagen van de troonrede en de Algemene Beschouwingen vaak over geld gaat, zou ik wel willen weten, wat deze campagne kost. In het landsbelang.

    • S. Montag