Je 4-wheel drive bij je eigen steigertje - over de banalisering van het Nederlandse landschap

Toen de overheid aankondigde te willen terugtreden bij de bestiering van het landschap, vreesden velen voor smakeloze projecten. Die zijn er ook gekomen, in vele soorten en maten. Water met recreatiewoninkjes is een must.

In de Nota Ruimte die het kabinet Balkenende in 2004 uitbracht, leken twee uitgangspunten de deur open te zetten voor bedenkelijke ontwikkelingen in het Nederlandse landschap.

Het eerste betrof de hoofdrol die was weggelegd voor de economische groei. De Nota formuleert het zo: ,,Een andere belangrijke achtergrond voor de doelen in deze nota, is de wens om Europa in het algemeen en Nederland in het bijzonder tot een sterk concurrerende en dynamische economie te maken.'' Dat is een streven dat je toch eerder in een nota over economisch beleid zou verwachten dan als hoofddoelstelling in een nota die gaat over de omgang met de schaarse ruimte in Nederland.

Het uitgangspunt was dat van de terugtredende rijksoverheid. ,,Dit kabinet beperkt zich [ ...] in het aantal regels dat het rijk aan anderen oplegt en vergroot de ruimte voor decentrale overheden, maatschappelijke organisaties, private partijen en burgers.'' Hiermee werd afscheid genomen van de opvatting dat de rijksoverheid een samenhangend visie dient te hebben op de ruimtelijke ontwikkeling – zoals die nog werd vertegenwoordigd door staatssecretaris Van der Ploeg met zijn nota Belvedere en minister Pronk met zijn poging rode en groene gebieden op de kaart aan te geven.

De combinatie van die twee uitgangspunten kon, schreef ik in Opinie & Debat van 15 mei 2004, verstrekkende gevolgen hebben voor de omgang met het landschap. Je moest vrezen dat de krachten van de vrije markt die ontwikkelingen zouden gaan bepalen, en niet de visie van de bestuurders die we daarvoor hebben gekozen. Nu zijn de lieden die de vrije markt bevolken op zich natuurlijk niet slechter, dommer of smakelozer dan degenen die hun creativiteit in dienst van de overheid stellen, maar ze hebben wel een ander belang, namelijk hun eigen voordeel, terwijl de overheid toch wordt geacht ons aller belang te dienen.

De vraag is of ik te somber was in mijn verwachtingen. Maar ruim een jaar kranten lezen en reizend door Nederland om mij heen kijken heeft mijn schrikbeeld van een angstwekkende banalisering van het Nederlandse landschap vooral bevestigd. Een paar voorbeelden.

Als je de term `win-winsituatie' leest, weet je bijna zeker dat iets of iemand de klos zal zijn. Het is typisch zo'n term van het moderne managerdom, die doet denken aan de kwakzalver op de kermis die de boer achterlaat met kiespijn en een drankje dat niet helpt. In het Volkskrant-artikel dat ik las over een nieuw project in Groningen viel die term niet, maar ik moest er wel meteen aan denken. De Grontmij, las ik, had een plan ontwikkeld om drie Groninger wierden hun oorspronkelijke vorm terug te geven en tegelijk van een massa vervuilde baggerspecie af te komen. Die baggerspecie zou volgens het Grontmijplan zorgvuldig worden ingepakt en vervolgens worden gebruikt om drie wierden in de buurt van Winsum te herstellen. De wierden werden vooral in de 19de eeuw afgegraven om de vruchtbare grond als mest te verkopen. ,,Het herstelproject van de wierden slaat meerdere vliegen in één klap'', schreef de krant. ,,De baggerspecie wordt opgeborgen; niet in lelijke depots langs de weg, maar onzichtbaar als ondergrond. Tegelijkertijd komen er twintig woningen bij op Valcum, een van de drie wierden. Deze woningen voldoen aan een steeds toenemende vraag naar hoog en landelijk wonen. Daar komt nog bij dat iets van het oude Groninger landschap wordt hersteld. Iedereen blij dus.''

Dat er een steeds toenemende vraag naar hoog en landelijk wonen bestond, was nieuw voor mij. Waarom hoog? Uit angst voor het water, in verband met de rijzende zeespiegel, of om op anderen te kunnen neerkijken? Toch leek dit een plan waarop de term `win-winsituatie' nu werkelijk eens van toepassing was. En zeker toen ik las dat de projectleider meende dat het `eigentijdse woningen' moesten worden, was ik voor het idee gewonnen. ,,Je moet ervoor waken dat het kneuterig of Efteling-achtig wordt'', zei hij zelfs.

Maar je moet nooit te vroeg juichen als het in Nederland over de omgang met het landschap gaat. Toen ik verder las, bleek dat ze een `woonterp' gingen bouwen, daar op Valcum, ,,compleet met dorpsplein, een herberg en een leugenbank voor de sterke verhalen''. De bebouwing zou een hoefijzervorm krijgen, vertelde de projectleider ook nog trots. Er lag nog een oude boerderij, en die werd dan herberg In het Hoefijzer.

Ik zou zeggen dat de totale Efteling-achtigheid hier toch dicht wordt benaderd. Ik had het begrip `eigentijds' in mijn naïeve welwillendheid geïnterpreteerd als `modern' of iets dergelijks, en had heldere, prachtig vormgegeven huizen voor me gezien, die in hun moderniteit een mooi accent zouden zijn in dat oude landschap. Maar de betekenis was waarschijnlijk eerder zoiets als `lollig'. Ik weet niet in welk stadium dit project is, sinds ik er aan het begin van dit jaar over las. Mij lijkt het een voorbeeld van de onvoorstelbare banaliteit die ons te wachten staat als de vrije krachten van de markt Nederland mogen inrichten.

Ook het tweede voorbeeld komt uit het hoge noorden. Mij is onbekend of dit briljante plan uit de koker van lokale bestuurderen of uit die van een projectontwikkelaar is gekomen; ik neem aan dat er in elk geval een innige samenwerking tussen overheid en markt voor nodig is geweest.

Ergens aan de Friese Waddenzeedijk zou volgens de overlevering ooit een stadje hebben gelegen, dat eeuwen geleden, geheel in de traditie van de mythische verdronken stadjes, door de zee zou zijn verzwolgen. Maar nu zijn er vergevorderde plannen om ongeveer op die plek een gloednieuwe oude, kleine stad te laten verrijzen, zo'n stadje als we kennen uit In de soete suikerbol, compleet met muren, poorten, torens, gracht met ophaalbrug, een marktpleintje met een waterput en huizen met klok-, hals- en trapgevels. Je weet wel zeker dat al die huizen aan een watertje liggen, elk met een eigen aanlegsteigertje waar ook de 4-wheel drive bij geparkeerd kan worden. De uiteraard van alle moderne gemakken voorziene neo-Middeleeuwse, neo-nouveau-riche-pandjes zullen een smak geld kosten, maar volgens het bericht dat ik las was al 70 procent verkocht.

Ik vrees dat het twee voorbeelden uit vele zijn. De vraag is niet welk banaler en smakelozer is, maar of er tussen al die recreatiedorpen met huisjes aan grachtjes, al die vakantieparken langs de kust, meer- of rivieroever waar de wet wordt ontdoken en waar permanent wordt gewoond in foeilelijke hokken en bungalows uit het bouwpakket – maar mét bootje voor de deur – ook maar één voorbeeld aan te wijzen is waarbij de haren je niet te berge rijzen.

Ik vrees niet, maar weet wel zeker dat projecten als die hierboven in hoofdzaak bestemd zijn voor lieden met nieuw, snel geld, van het type van die minister uit het eerste kabinet Balkenende die graag op de tv mocht vertellen dat hij altijd harder reed dan de maximumsnelheid en die clandestien een extra uitrit bij zijn pand in het Gooi of een ander voormalig sjiek deel van ons land had laten aanbrengen, zodat hij met zijn terreinwagen het verboden natuurgebied in kon scheuren. Ik denk, wil ik maar zeggen, dat de grotere inbreng van `de markt' ertoe leidt dat de overheid haar greep op de ontwikkelingen verliest en dat steeds grotere stukken van het landschap zullen worden ingericht naar de smaak van de meerderheid die meent dat Pim Fortuyn de grootste Nederlander aller tijden was.

Dat de (rijks)overheid de greep op de ruimtelijke ordening kwijt zou raken, was te voorspellen. De `officiële' bevestiging daarvan kwam vorige week van het Ruimtelijk Plan Bureau, in een studie over het `Groene Hart'. Iedereen die zich wel eens per fiets, trein of auto door dat Groene Hart heeft bewogen, weet dat het gebied onder een enorme druk staat van ambitieuze gemeentebesturen met uitbreidingsplannen, van natuurbouwers die liever recreatiebos of waterpartijen dan boeren zien en van projectontwikkelaars en andere aansluipende rovers. Alleen de rijksoverheid blijft hardnekkig volhouden dat we een Groen Hart hebben; waarschijnlijk worden ministers en hoofdambtenaren er in geblindeerde auto's doorheen getransporteerd, zodat ze geen flauw idee hebben hoe de werkelijkheid eruitziet. Nu schrijft het Planbureau dat het Groene Hart aan het `verstenen' is, ,,min of meer parallel aan de rest van Nederland'', en dat ,,het begrip Groene Hart beleidsmatig beter niet meer kan worden gebruikt''. Van wat oorspronkelijk als het Groene Hart werd aangeduid, is inmiddels een kwart bebouwd. En wat voor het Groene Hart geldt, geldt voor de rest van Nederland: de opvatting dat je in een zo dichtbevolkt land, dat eigenlijk alleen adequaat beschreven kan worden als een bewoond parklandschap, de regie over de kwaliteit van de openbare ruimte zou kunnen overlaten aan lagere overheden en `de markt', is een gevaarlijke dwaling.

Voor alle duidelijkheid: ik begrijp heel goed dat er in gebieden waar de landbouw en andere traditionele bedrijvigheden verdwenen zijn, initiatieven nodig zijn om ze economische overlevingskansen te bieden; ik begrijp zelfs heel goed dat dat in veel gevallen zal leiden tot kiezen voor vormen van `recreatie'. Maar ik weiger te erkennen dat daarbij de banaalste weg de beste is. Ik denk dat kiezen voor kwaliteit op de lange duur een betere investering is.

Een mooi voorbeeld om op de voet te volgen, omdat het zich nog geheel in het planstadium bevindt, is dat van het Wieringer Randmeer. Ik hoop dat u bezorgd uw wenkbrauwen optrekt.

Wieringer Randmeer? Wieringen, dat is toch dat lege, stille gebied, dat voormalige eiland dat eigenlijk nog altijd een eiland is, in het noorden van Noord-Holland?

Van het Wieringer Randmeer vernam ik voor het eerst iets toen ik dit voorjaar werkte aan een bijdrage voor een in Denemarken, Duitsland en Nederland te verschijnen boek over de cultuurlandschappen langs de wadden. Mij was gevraagd te schrijven over de kop van Noord-Holland en Wieringen en ik kwam voor het eerst sinds mijn schooltijd weer eens regelmatig op dat gewezen eiland. Ik was verbaasd over de betrekkelijke onaangetastheid ervan en over de boeiende cultuurgeschiedenis, waarvan nog veel `leesbaar' is in het landschap. Bij een van mijn bezoeken las ik in een lokale krant, toen ik koffie dronk in een café in Hippolytushoef, dat er hevige discussies waren over een `randmeer'. Ik vroeg aan een van de mensen die ik voor mijn stuk interviewde, hoe het zat met dat randmeer. Hij bleek, als gemeenteraadslid, deel uit te maken van een groep bewoners die al een jaar of tien geleden een toekomstvisie voor Wieringen had geschreven – het eiland is alweer een gebied waar de landbouw heel snel verdwijnt en de visserij achteruitgaat. De groep ontwikkelde het idee dat je, als je van Alkmaar binnendoor, via Kolhorn, naar het IJsselmeer zou kunnen varen, een `randmeer' zou kunnen creëren met hier en daar een haventje, een scheepswerfje en kleinschalige recreatie – zo zou je weer wat werkgelegenheid kunnen scheppen zonder het karakter van het voormalige eiland aan te tasten. ,,Nou, de provincie vond dat prachtig'', verklaarde mijn zegsman. ,,Die wilden dat meteen ontwikkelen. Er worden zo'n 50.000 huizen gebouwd daar in de kop van Noord-Holland, rond Alkmaar, en die mensen moeten kunnen recreëren, daar is dit een prachtige gelegenheid voor. Die hebben toen min of meer ons idee afgepakt en dat is een eigen leven gaan leiden. Het werd groter en groter. Ze hebben een competitie uitgeschreven en de winnaar daarvan heeft een verschrikkelijk groot plan bedacht, met villa's op en in het meer, er moesten hier 6.000 woningen komen om het allemaal te betalen. Nu moeten we als raad weer vechten tegen die aantasting van het landschap.''

Ik vind dit voorbeeld zo leerzaam, omdat je hier nu eens kunt zien hoe zulke processen verlopen. De winnaar van de prijsvraag voor het randmeer heet Lago Wirense, en is een consortium van Volker Wessels Stevin Bouw & Vastgoedontwikkeling Nederland en Boskalis en Witteveen+Bos, lees ik in de stukken van de Wieringse gemeenteraad. Niet de minsten in de club van de reuzen die ons landschap maken. Als je de prachtige projectbeschrijving van dit consortium ziet, zal het project Wieringerrandmeer niet alleen het voormalige eiland Wieringen, maar ook Wieringermeer en de hele kop van Noord-Holland gaan redden. Maar je denkt natuurlijk in de eerste plaats dat het vooral hun belang zal dienen. Uit de beschrijving: ,,Het betreft een randmeer met een open verbinding met het Amstelmeer [dat is het water tussen de westpunt van Wieringen en de kop van Noord-Holland], dat via een kort kanaal en een schutsluis wordt verbonden met het IJsselmeer. Het is bevaarbaar voor de recreatievaart.'' Je ziet de recreatiewoningen, die al snel permanent bewoond zullen zijn, alweer verrijzen, zoals overal in Nederland waar water is of wordt gemaakt. (Het lijkt wel of we na eeuwen van land winnen op het water niet weten hoe snel we het overal weer moeten teruggeven.) Behalve door het consortium werd het enorme project geestdriftig gesteund door Gedeputeerde en Provinciale Staten van Noord-Holland, burgemeester en wethouders van Wieringermeer en Wieringen en de gemeenteraad van Wieringermeer. Maar de gemeenteraad van Wieringen stemde tegen.

Dat is nogal wat, tegenover zo'n enorme druk van andere belangen. In ieder geval is het een leerzaam precedent voor alle gemeenteraadsleden of verontruste burgers die geconfronteerd worden met de krachten van de markt: het is dus wel degelijk mogelijk, de wals van de schijnbaar onontkoombare ontwikkelingen een halt toe te roepen. Het is een bijzondere ervaring, in het verslag van de vergadering waaraan vertegenwoordigers van de provincie, van Wieringermeer en van Wieringen deelnamen, te lezen dat een vertegenwoordiger van Wieringen vaststelt dat zijn raad Wieringen niet geschikt vindt voor grootschalige recreatie en woningbouw; dat men de cultuurhistorische waarde van het gebied erg belangrijk vindt en wel een randmeer wil, maar dan een van rust en ruimte. Het is een voorbeeld dat vraagt om navolging, willen we nog wat cultuurlandschappen in Nederland verdedigen tegen de gretige gelovigen in de totale groei.

Er is inmiddels een compromis, heb ik begrepen, daar tussen Wieringen en de kop van Noord-Holland. Dat Randmeer komt er en dat zou wel eens goed kunnen zijn voor een bescheiden groei van de werkgelegenheid. Er komen wel woningen maar niet aan de rand van het meer. Daar komen stroken natuurgebied (,,een volwaardige, robuuste ecologische verbindingszone'') en de 1845 nieuwe woningen en recreatiewoningen komen verder landinwaarts. Het lijkt voorlopig een overwinning voor verstand en goede smaak, maar ik zal kritisch blijven volgen wat daar gebeurt, op Wieringen.

Wie van ons wist trouwens dat er in de kop van Noord-Holland 50.000 woningen gebouwd gaan worden. Vijftigduizend? Waar las ik toch onlangs dat de bevolkingsgroei tot stilstand is gekomen? Voor wie worden die 50.000 huizen dan toch gebouwd, daar in dat mooie, lege land boven Alkmaar?

Schrijver en dichter, houdt zich al vele jaren zowel in gedichten, romans als essays bezig met het Nederlandse landschap.

Van hem verschenen onder meer `De rivier' (roman, 1996), `Leesbaar landschap' (essays, 1998) en `Gedichten' (2001).