Burgers moeten zichzelf leren redden - wel zo handig voor de overheid

Meer `eigen verantwoordelijkheid', daar is eigenlijk niemand tegen. Maar veel van de taken die de overheid naar de burger schuift, hebben niet zoveel met eigen verantwoordelijkheid te maken.

Bovendien is verantwoordelijkheid voor de omgeving niet altijd makkelijk te combineren met steeds langer en harder werken.

De troonrede van afgelopen dinsdag kent een verrukkelijke literaire passage. Een alinea over de onzekerheid die mensen voelen over hun omgeving eindigt met de zin: ,,Het vertrouwen in de overheid is gedaald.'' Dan volgt een nieuwe alinea, die bestaat uit één zin, van zes woorden. ,,Dit laat de regering niet onberoerd.'' Zo'n loszwevend zinnetje, dat laat níémand onberoerd. Wat is aan de beroering van het landsbestuur te doen? Allicht dat ook de somber aangezette taal over de economie van de afgelopen jaren een rol speelt, maar in eerdere jaren was koopkrachtverlies nooit een doorslaggevende reden voor de burger om het vertrouwen in de regering op te zeggen. Er moet dus een diepere reden zijn.

Op de lagere school leerden we een Surinaams-Creools kinderliedje. Faya siton no bron mi so, no bron mi so (,,Vuursteen, kom, brand mij niet, brand mij niet''). Het werd oorspronkelijk gezongen onder het razendsnel doorgeven van een gloeiende steen of kastanje. Wie zich afvraagt waarom de afstand tussen regering en bevolking zo groot is dat zelfs de koningin er gewag van moet maken, hale zich de `eigen verantwoordelijkheid' voor de geest. De overheid geeft deze aan de burger, die schrikt en wil het ongewenste ding snel doorgeven.

De regering voert al enige jaren een vrij stevig hervormingsprogramma uit. Het is niet alleen gericht op bezuinigen, zoals we dat kennen sinds Lubbers I. Het is gericht op het veranderen van gedrag van mensen. Om even uitgebreid de eerste troonrede van het tweede kabinet Balkenende (2003) aan te halen: ,,Met het oog op de toekomst van ons allen acht de regering nu scherpe keuzes noodzakelijk. De regering beoogt daarmee eveneens een cultuuromslag tot stand te brengen. De overheid dient ruimte te laten aan het initiatief van burgers en bedrijven. Daadwerkelijke verbeteringen zijn alleen mogelijk indien iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt en meedoet in onze maatschappij. De overheid kan niet de oplossing voor alle vraagstukken bieden en behoort dat ook niet te doen. Zij moet juist de randvoorwaarden scheppen om problemen oplosbaar te maken. Daartoe dient zij minder regels te stellen en die regels beter te handhaven. Deze uitgangspunten staan in het beleid van de regering centraal.''

Sinds dat moment heeft de regering geen mogelijkheid onbenut gelaten om te benadrukken dat het ten aanzien van werk, ziekte, bijstand, school, integratie, welzijn, en nog een hele hoop andere terreinen tijd was om structureel in te grijpen. Die ambitie kwam dus bovenop de soms stevige ingrepen in de koopkracht. De verhouding tussen burger, overheid, markt en civil society – alles tussen sportverenigingen, vakbonden en liefdadigheidsorganisaties – moest grondig op de schop. Het ging niet alleen om minder (of soms zelfs veel minder) subsidies en uitkeringen. De mensen moesten zich ook anders gaan gedragen, actiever, zelfbewuster.

De politieke nieuwkomers Jan Peter Balkenende, Aart Jan de Geus en Piet Hein Donner maakten keer op keer duidelijk dat een nieuw sociaal contract in de maak was. Ook langregeerders als Gerrit Zalm en Hans Hoogervorst van de VVD meenden dat het nu toch echt een fundamenteel andere kant op moest dan onder hun eerdere bewind.

Burgers konden niet alles meer verwachten van de staat. De staat kon zo langzamerhand eens wat verwachten van de burger. Dit moest verder reiken dan het neoliberale idee dat mensen gewoon voor zichzelf moeten zorgen, punt uit. De CDA'ers maakten duidelijk dat het pleidooi voor meer `eigen verantwoordelijkheid' zeker geen cynisch maniertje was om lastige uitkeringstrekkers goedkoop weg te zetten. Het stoelde op de christen-democratische gedachte dat je via je omgeving (gezin, buurt, werk, school, vereniging) beter greep op je leven kunt krijgen dan met (anonieme) hulp van de staat.

Opvallend is dat zo goed als iedere (partijloze) commentator de kern van dit regeringsbeleid steunt. Tot op zekere hoogte overigens logisch, want een inmiddels klassieke vraag is wie er eigenlijk tégen eigen verantwoordelijkheid is.

Hoe dan ook is, met betrekking tot bijvoorbeeld sanering en hervorming van de sociale zekerheid of de inburgering van nieuwkomers, de consensus groter dan deze lijkt. De ingrepen in WW, VUT en WAO worden betiteld als net te hard of te drastisch, maar het schrikbeeld van Duitsland met zijn vastgelopen economie staat ook de critici van de regering helder voor ogen.

De boze kritiek blijkt negen van de tien keer vormkritiek. De premier zou not connected zijn. Maar de ontelbare verwijten die met name de minister-president maar ook zijn collega-ministers treffen dat zij de boodschap slecht brengen, leiden geregeld de aandacht af van het feit dat de makers van de communis opinio `Eigen verantwoordelijkheid' een relevant thema achten. Dat hulp er alleen is voor wie echt hulp nodig heeft, of dat bijstand dient om mensen weer onafhankelijk te maken, het waren ooit `foute' standpunten, maar nu niet meer.

Het maakt de grote afstand tussen bevolking en Den Haag des te indringender. Nederlanders vinden dat de regering hen met een gloeiend steentje probeert op te zadelen. De mensen menen nog steeds in grote meerderheid dat het de overheid is die meer moet doen aan werkgelegenheid en sociale zekerheid. Dat blijkt ook weer uit het recente SCP-onderzoek De sociale staat van Nederland (2005).

De vraag is hoe het komt dat de burgers ontevreden zijn met de hun toegedachte `Eigen verantwoordelijkheid'. Hoe komt dat? Of, om Louis van Gaal te parafraseren, is de regering nou zo slim of zijn de burgers zo dom?

De oorzaak van de afstand tussen de Haagse bedoelingen en het gemor op straat ligt vermoedelijk voor een belangrijk deel in de interpretatie van de `eigen verantwoordelijkheid'. Laten we deze interpretatie ,,vrolijk'' noemen. Verantwoordelijkheid is gebaseerd op loyaliteit. Je neemt je verantwoordelijkheid wanneer je je verbonden voelt met de omgeving waar je daden gevolgen hebben. Wanneer uitkeringen machinaal verstrekt worden, is het niet gek dat mensen daar bij vlagen misbruik van maken. Loyaliteit werkt echter ook de andere kant op. Wanneer de overheid van burgers verwacht dat ze hun verantwoordelijkheid nemen, verwachten de burgers dat ze de ruimte krijgen om dat te doen. Het is tenslotte grondregel nummer 1 van de democratie dat burgers niet gek zijn.

Maar de `eigen verantwoordelijkheid' van de regering blijkt regelmatig te betekenen dat éérst de overheid van een hoop problemen verlost raakt. Daarna mag de burger zelf iets oplossen. Niet zelden valt in dat verband kort na `Eigen verantwoordelijkheid' het woord ,,vraagsturing''. De boodschap is dan dat burgers bevrijd worden uit de kluisters van ouderwetse instellingen. Dat zie je nu bijvoorbeeld in de kinderopvang of in het onderwijs, of in de nog lopende discussie over de zorgverzekeringen.

Wanneer ouders een crèche moeten uitzoeken voor hun kinderen en ook zelf de financiering daarvan moeten organiseren, scheelt dat aanzienlijk in gedoe voor de staat. Wanneer je het aan leerlingen of studenten overlaat om hun eigen vakken te kiezen, is de overheid even verlost van de bedreigende discussies over structuur en inhoud van het onderwijs.

Het plezier dat burgers op hun beurt van dit type veranderingen ervaren, is lang niet altijd even groot. Dat weet iedereen die de papierwinkel voor de vergoeding voor de kinderopvang op zijn bureau heeft liggen, of die de nieuwe zorgverzekeringswet op zich af ziet komen.

Bovendien blijken veel van de door de overheid verzelfstandigde organisaties waar burgers wegens hun `eigen verantwoordelijkheid' tegenwoordig op eigen houtje aankloppen, tot een zo grote schaal gefuseerd of geconglomereerd te zijn, dat van enige reële eigen keuze al snel geen sprake meer is. Ondertussen doet de regering geen moeite om te verhullen dat de overheid geen zin heeft om burgers bij alledaagse probleempjes bij te staan – minister Hoogervorst van Volksgezondheid liet bij het begin van de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer nog even zien dat hij van het idee alleen al kotsmisselijk wordt.

Nu kun je, afhankelijk van eigen waarden en normen, best redeneren dat het dragen van de consequenties van eigen keuzes iemand tot een beter mens maakt (,,ík, en niet de voorzienigheid, heb de foute opleiding gedaan''). Of dat je van het gehannes met allerlei papierwerk een betere burger wordt (,,kostenbewust''). Maar door te stellen dat deze verantwoordelijkheid burgers ruimte biedt die ze eerst niet hadden, mobiliseert de regering geen vreugde maar cynisme.

Deze manier van streven naar `Eigen verantwoordelijkheid' kun je nog afdoen als slecht gearticuleerde stimulans tot consumentengedrag, met alle positieve en negatieve gevolgen. Maar het nieuwe sociaal contract heeft ook een scherpere ideologische tint. Zo moet volgens de Wet op de Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), die naar verwachting in juli 2006 ingaat, de naastenliefde weer een centrale rol gaan spelen. Nu verleent een op de tien Nederlanders (1,6 miljoen) zorg aan een zieke, gehandicapte of stervende naaste. Tweederde van deze `mantelzorgers' – meest vrouwen – combineert dat bovendien met een betaalde baan. Het goede nieuws is dat de bereidheid van deze mantelzorgers om informele zorg te verlenen nog vrijwel even hoog is als tien jaar geleden, zoals het SCP nog onlangs concludeerde. Maar het voegde daaraan toen dat de druk op mantelzorgers toeneemt. Ze werken zonder enige ondersteuning – zonder voorlichting, advies, kinderopvang. Nu beschikken we nog over een ongekend reservoir van vrijwillige helpers. Wat nu als blijkt dat werken voor een normaal inkomen én zorgen steeds lastiger vallen te combineren?

Het signaal dat de regering via onder anderen Brinkhorst, Zalm en De Geus afgeeft, is immers onverbiddelijk: iedereen moet veel en hard werken en bovendien niet op een vaste baan rekenen. Maar onderzoek naar vrijwillige inzet wijst er op dat dit beter gedijt in landen met een ontspannen (`Rijnlands') arbeidsbestel dan in een keiharde (`Angelsaksische') economie. En wat als meer ouderen een groter beroep zullen doen op gratis familie- en burenhulp, omdat ze de particuliere hulp niet meer kunnen betalen? Kostendalingen in de zorg hebben zich nog niet voorgedaan.

Het lijkt onvermijdelijk dat vrijwillig helpende burgers in de nabije toekomst eerder minder dan meer ondersteuning kunnen of willen geven. Maar over het dragen van de `Eigen verantwoordelijkheid' onder deze veranderende omstandigheden heeft de regering nog niks gezegd. Dat er makkelijk een beroep gedaan kan worden op de bestaande hoeveelheid mantelzorg, lijkt de regering te worden ingegeven door herinneringen aan het oude ,,maatschappelijk middenveld''. De verwachting van de Wet op de maatschappelijke ondersteuning is, dat burgers samen met hun directe omgeving vorm aan alle benodigde zorg zullen geven. Over de manier waarop dat precies moet gebeuren tast iedereen nog in het duister. De gedachte lijkt te zijn dat het vanzelf gaat.

Eenzelfde soort hoopvolle overschatting van de mogelijkheden om burgers zichzelf te laten redden, schuilt ook in de nieuwe ontwerpwet op de medezeggenschap. De econoom Ewald Engelen beschreef de gevolgen daarvan in De Groene Amsterdammer van 8 juli 2005. Die wet verplicht werkgevers en werknemers nog slechts tot onderhandelingen over de bevoegdheden van het medezeggenschapsorgaan. Voorheen lagen die bevoegdheden juist vast in de wet. De gedachte is ook hier blijkbaar dat werknemers sterk genoeg georganiseerd zijn (,,soeverein in eigen kring'') om ondernemingen te weerstaan, maar ook dat moet in de omstandigheden van 2005 nog maar blijken. De goede bedrijven zullen hun inspraakzaakjes heus op orde houden, maar kwaadwillende bedrijven hebben vrij spel.

Het is oud nieuws dat het maatschappelijk middenveld wegkwijnt – de omvangrijke kerkgenootschappen, de wieg-tot-graf-vakbonden, de buurtverenigingen waarin mensen elkaar na gedane zorg of arbeid treffen. Er is geen vanzelfsprekend sociaal netwerk meer waar de gemiddelde vrijwilliger op terug kan vallen wanneer hij zijn `eigen verantwoordelijkheid' even niet aankan zoals nog in de jaren vijftig of zestig.

Dat neemt niet weg dat mensen elkaar nog graag helpen, en zich volop blijven verenigigen, echter veelal voor kortere tijd en vaak met praktischer doelstellingen dan voorheen. Ze doen dat, anders gezegd, eerder in `lichte gemeenschappen' dan in traditionele verenigingen. En het is nog maar de vraag of deze lichte gemeenschappen voldoende loyaliteit of onderlinge solidariteit scheppen om er voor iedere burger de zo verlangde eigen verantwoordelijkheid aan op te hangen.

De `eigen verantwoordelijkheid' valt in een vacuüm dat de regering zelf heeft geschapen. De burger krijgt problemen van de overheid op zijn bord, wordt geacht te leven in een middenveld dat niet meer bestaat en moet voor zijn naasten zorgen en tegelijkertijd ook hard en veel werken en zijn eigen belangen zeker stellen. Die laatste opdracht wil hij misschien best opvolgen, maar als ,,verantwoordelijk'' gedrag zal de burger deze missie niet interpreteren. Daarvoor zal hij dan immers te veel zijn naasten moeten negeren.

Wetten maken voor het nieuwe sociaal contract is zo gepiept. Maar dat de sociale en economische voorwaarden niet zomaar volgen, lijkt vergeten. Eigen verantwoordelijkheid vraagt tijd, inspanning, en vaak ook hersens. Beschik je daar onvoldoende over, dan is het een gloeiend steentje waar je snel vanaf moet. Dan ben je met je zorgverzekering, je opleiding, je kinderopvang, je zieke moeder overgeleverd aan derden – meestal de markt – en in wezen nog ten minstens even afhankelijk als voor het moment dat je eigen verantwoordelijkheid kreeg toebedeeld. De ergernis daarover is terug te vinden in al die voor de regering zo negatieve opiniepeilingen.

Op zoek naar meer vertrouwen van het volk lijkt de nadruk op de `eigen verantwoordelijkheid' nu te worden afgezwakt. Dat spreekt uit de keus voor een nieuw motto: ,,Naar nieuwe evenwichten''. Misschien dat het helpt, wie weet. De goede bedoelingen zijn evident. Maar wanneer de regering het nieuwe sociaal contract wil doorzetten, is een grotere betrokkenheid bij het dagelijks leven van burgers vermoedelijk nuttiger. Werken aan een stukje street credibility naar de burger toe, heet dat in marketingjargon. Het zal het volk niet onberoerd laten.

Hoofdredacteur van TSS, tijdschrift voor sociale vraagstukken.

Mede onder zijn redactie verscheen vorig jaar `Kiezen voor de kudde', over individualisme in Nederland.

    • Menno Hurenkamp