Alles wat Frans is, is uitstekend...

Van alle Europeanen hebben de Fransen de meeste moeite met broodnodige hervormingen. Geen wonder: het zoete leven is Frans. Na vijfeneenhalf jaar schrijft onze correspondent zijn laatste stuk uit Parijs. Over een omgewoeld plantsoentje, puberale burgers, een koning-president en de diepere betekenis van diens lunch.

Franser kon het niet, het ontslag van de Franse president Jacques Chirac uit het Parijse ziekenhuis Val-de-Grâce, gisteren twee weken geleden. Zichtbaar aangedaan door het `kleine ongeluk in de bloedvaten in de hersenen' moest het staatshoofd tonen de teugels nog in handen te hebben. Hij moest het volk weer voor zich zien te winnen. Hij begon dus over de gezondheidszorg, de Franse gezondheidszorg. Hoe geweldig die was, de beste ter wereld, zo menselijk ook. Hij had het nu zelf ervaren.

Vervolgens zei hij nog iets minstens zo Frans. Hij had haast om naar huis te komen. Het was lunchtijd. Hij had trek.

Bravo. De president heeft goede adviseurs. De Fransen zijn zowel dol op eten als op lofzangen op hun publieke diensten. Hoe misplaatst die laatste ook zijn. Over uitgerekend de gezondheidszorg luidden deskundigen deze week de noodklok. Het tekort van vorig jaar van 400 miljoen euro wordt dit jaar bijna verdubbeld. De organisatie lijkt volgens betrokkenen uitgedokterd te zijn in de Sovjet-Unie en gaat met 856.000 werknemers gebukt onder een reusachtig teveel aan personeel. Dat kan ondanks zijn omvang het werk niet aan. Niet geheel vreemd aan de onmacht is dat in het centraal geleide Frankrijk het eerste het beste afdelingshoofd door de minister benoemd wordt in plaats van door de ziekenhuisdirecteur.

De Franse gezondheidszorg is een conglomoraat van bazen en baasjes. Tijdens de hittegolf van 2003 was het trieste gevolg van onder meer die misstand een `oversterfte' van vijftienduizend meest oudere personen. Met vertrouwd anti-Amerikanisme en met afschuw keken de Fransen de afgelopen weken naar de televisiebeelden van de door de orkaan Katrina getroffen stad New Orleans. Dat heb je ervan, schudden ze het hoofd, van die moderne opvattingen over de staat-op-afstand. De hoofdredacteur van dagblad Le Monde gaf ze in een commentaar vorige week geen ongelijk. Maar hij wees er tevens op dat het aantal slachtoffers van Katrina vooralsnog niet in verhouding staat met dat van de hittegolf in Frankrijk. Maar anders dan president George W. Bush in Amerika heeft in Frankrijk niemand het boetekleed aangetrokken.

Chiracs lofzang op de `beste' gezondheidszorg ter wereld was broodnodig, voor het moreel. Meer dan ooit moeten mythes instandgehouden worden. In de vijfeneenhalf jaar dat ik voor deze krant over Frankrijk heb bericht, is bijna iedere septembermaand verkondigd dat de stemming in het land nog nooit zo somber is geweest. Het verschil met vorige jaren is dat het deze keer waar lijkt. De economie kwakkelt, het consumentenvertrouwen daalt, de werkloosheid is op een enkele fluctuatie na onveranderd hoog (tien procent) en de bedrijven die hun activiteiten naar lagelonenlanden verplaatsen zijn niet meer te tellen.

Het is, alle deskundigen zijn het erover eens, erger dan voorheen en elders. Het grote verschil tussen het Frankrijk van vijfeneenhalf jaar geleden en dat van nu heet mondialisering. Het effect daarvan wordt nog eens versterkt door de uitbreiding van de Europese Unie met tien nieuwe lidstaten. Het corporatistische, centralistische, etatistische en daardoor onvermijdelijk egocentrische Frankrijk is daar niet tegen opgewassen. In Frans-Frans isolement heeft het land de staatsschuld en de begrotingstekorten van de publieke diensten de afgelopen dertig jaar min of meer ongestraft kunnen laten oplopen – de laatste jaren met dank aan de gemeenschappelijke euro, die de directe repercussies uit het verleden voor de eigen nationale munt onzichtbaar absorbeert. Maar open concurrentie met de rest van de wereld is bij voorbaat een verloren zaak. De wal gaat het schip nu toch echt keren.

In zijn boek Le Grand Gaspillage (De Grote Verspilling, 2002) schat Jacques Marseille het aantal mensen in overheidsdienst op 6,5 miljoen. Van hen zijn er 1,2 miljoen werkzaam in door de staat gecontroleerde bedrijven, ook zo'n typisch Frans fenomeen. Het aantal overheidsbanen is zo groot, dat het slechts bij benadering geschat kan worden, met een foutmarge van maar liefst 300.000. Ze vertegenwoordigen een kwart van de werkende bevolking, terwijl in de overige ontwikkelde landen één op de zes of zeven actieven voor de overheid werkt. Frankrijk telt tien ambtenaren – allemaal met zeer benijdenswaardige voorrechten ten opzichte van de privé-sector – op honderd inwoners; elders zijn dat er zes.

Thierry Wolton geeft in zijn boek Brève psychanalyse de la France (Korte psycho-analyse van Frankrijk, 2004) talrijke van dergelijke hemeltergende voorbeelden. Als in de afgelopen tien jaar in de G7, de zeven rijkste geïndustrialiseerde landen, de beroepsbevolking met honderd personen toenam, dan ging het om 68 banen in het bedrijfsleven, elf bij de overheid, achttien werklozen en drie arbeidsongeschikten. Frankrijk bestond het om in dezelfde periode achttien banen in het bedrijfsleven verloren te laten gaan en er 27 ambtenaren, 45 werklozen en 46 arbeidsongeschikten te laten bij komen.

Het is zo bezien geen wonder dat het piepkleine plantsoentje voor mijn deur in Parijs wekelijks wordt bestormd door vier, vijf tuinmannen, die het nu eens beplanten en dan weer geheel omwoelen om er weer nieuw groen in te zetten. Over die kafkaëske cyclus heb ik al eens eerder geschreven. Maar ik heb het opgegeven om naar de redenen te informeren. Laatst sneuvelde de tot op heden gespaard gebleven omringende haag aan het teveel aan arbeidskracht.

Evenmin een wonder is het Franse `nee' tegen de Europese grondwet. Juist in Frankrijk, het land dat te pas en te onpas zichzelf en anderen eraan herinnert `de bakermat van de mensenrechten' te zijn, grensde de motivatie aan xenofobie. Met een `ja' zou de Poolse loodgieter zijn kans schoon zien. Klein links en ook de socialisten – toch bij uitstek internationalistisch ingesteld, zou je denken – schreeuwen al sinds jaar en dag moord en brand als arbeidsplaatsen naar de Derde Wereld verdwijnen. In plaats van blij te zijn voor de echte verschoppelingen der aarde steunen ze werknemers die serieus dreigen bedrijfsgebouwen op te blazen of die daadwerkelijk – en ongestraft – chemicaliën in riviertjes storten.

Niet zozeer de bedrijven, maar de overheid moet gestraft worden. Alles is altijd de schuld van de overheid. Die is niet `sociaal'. Toen de socialistische oud-premier Lionel Jospin eens verzuchtte dat de staat `niet alles' kan, was het land te klein. Liberalen, die trouwens maar met weinigen zijn, delen die permanente woede. Als vrachtwagenchauffeurs wegen blokkeren en de brandstoftransporten lamleggen, dan mort de kekke zakenman bij de benzinepomp niet over het hem opgelegde rantsoen. Geen glorieuzer moment, is ook hem geleerd, dan de Revolutie van 1789. Protest, hoe nadelig voor hemzelf ook, appelleert ook aan zijn romantische verzetsgeest.

De Staat, tegelijkertijd beschermer en vijand, is Alles. Gaat het Nederlandse bestel uit van de burger, in het brandpunt van het Franse bevindt zich de Staat. Het gevolg is een vragende, voor niets verantwoordelijke burger. Een verwende, puberale burger ook. Vraag je Fransen iets, dan is het antwoord in beginsel `nee'. ,,Paaien moet je ze'', zeiden hier al langer wonende Nederlanders. Fransen zelf zeiden dat trouwens ook. Paaien moet je ons – als pubers dus. Vervolgens blijkt de gevraagde informatie negen van de tien keer onder handbereik te liggen.

Het eerste jaar van mijn verblijf in Frankrijk is erdoor vergald. Ik dacht dat iemand die op de persafdeling van een bedrijf of ministerie werkt er is om de pers van dienst te zijn. Dat is niet zo, in Frankrijk. In Frankrijk is zo iemand met lunchpauze of in vergadering. Tenzij je de juiste mengeling van nederigheid en autoriteit aan de dag weet te leggen. Retorisch zijn, maar ook de taal der macht spreken. Paaien en dreigen tegelijkertijd, daar komt het op aan. Oefening baart kunst. De beproefde frasen rollen nu zo uit mijn mond: ,,Neem me niet kwalijk dat ik u stoor'', ,,U bent ongetwijfeld niet de persoon die zich hiermee bezighoudt'', ,,Ik ben zo vrij me tot u te richten...'' Uit te spreken op een toon die geen tegenspraak duldt. De naam van een hogergeplaatste laten vallen, of van een gemeenschappelijk contact, hoe vaag ook. Ten behoeve van het machtsevenwicht is het soms verkieselijk Engels te spreken. Of je voor te doen als je eigen secretaris.

De rol van de almachtige staat wordt nog eens versterkt door de hofcultuur. De Franse Republiek als monarchie: het cliché bevat veel waarheid. De Franse president is een koning, het volk zijn hovelingen. Die dingen naar de gunst van de vorst, de onderlinge verstandhouding – noem het consensus – is van minder belang. Het verklaart de Franse gevoeligheid voor hiërarchie. En de van zijn plaats bewuste machthebber. Het Franse staatshoofd, bekleed met meer bevoegdheden dan welke van zijn democratisch gekozen ambtsgenoten ook, wordt niet geacht in overleg met anderen beleid te maken. ,,Ik beslis, hij voert uit'', zei Chirac een tijd geleden over zijn recalcitrante minister Nicolas Sarkozy.

Lezers protesteerden regelmatig als ik weer eens over de `koning-president' en het `presidentiële systeem' van de Vijfde Republiek had geschreven. Frankrijk heeft toch zeker een gekozen president? En een parlement? Zeker, maar van controle van de regering – toch de kerntaak van parlementen – is geen sprake. De leider van het centrum-rechtse UDF, François Bayrou, dissident lid van de meerderheid, klaagt er steen en been over. De Assemblée is volgens hem een `stempelmachine'. En inderdaad, het `controlerende' college waarvan hij deel uitmaakt, kan op elk gewenst moment ontbonden worden door de president.

Die hoeft, anderzijds, nooit verantwoording af te leggen. Die klus klaart zijn premier. Als nederig uitvoerder van presidentiële orders en dankbare Kop van Jut. Als het volk mort, ruimt niet de baas het veld, maar zijn knecht.

Zelfs de agenda en de onderwerpen waarover de Assemblée debatteert, worden van dag tot dag door de regering bepaald. Tegenstanders van toetreding van Turkije tot de Europese Unie moesten het parlementaire debat daarover vorig jaar met tromgeroffel in de media afdwingen; dat de regering uiteindelijk zwichtte, was slechts te danken aan de peilingen, waaruit een eveneens afwijzende houding van een meerderheid van de kiezers bleek. Stemming over het politiek gevoelige onderwerp werd niettemin verboden door de regering. Dat wil zeggen: door de president.

Ander aspect van de hofcultuur – althans zo leg ik het uit – is de Franse `discretie'. De strikte afscherming van het privé-leven moet te maken hebben met wantrouwen: dingend naar de gunst van de vorst, zijn de hovelingen en onderdanen elkaars natuurlijke vijand. Je weet nooit hoe de ander informatie misbruikt. Onbekommerd vragen wat iemand doet voor de kost, is er niet bij. Toen ik op mijn sportschool, waar veel homoseksuelen komen, eens vroeg of een bepaalde docent op vrouwen of op mannen viel, keek een jonge homo me geschokt aan. Zulke vragen stel je niet, zei hij afkeurend.

De Fransen leven in clans, van familie en vrienden. Kerstmis vieren buiten de familiekring is ondenkbaar. In antwoord op de veronderstellingen dat de gezondheidsproblemen van president Chirac een derde termijn uitsluiten, zei zijn echtgenote vorige week bijna mafioos: ,,De Chiracs zijn nog niet dood.'' Familieleden vormen een osmotisch verbond, de buitenwereld wordt geweerd. Een killere stad dan Parijs is moeilijk voor te stellen. In toeristengidsen is het de hoofdstad van latijnse zinnelijkheid en `oh la la', maar nergens anders realiseer je je zo goed dat bij voorbeeld Nederlanders elkaar aankijken op straat. Je leeft bij de gratie van de blik van de ander: in het begin had ik het ge

voel te zijn opgehouden te bestaan. Sindsdien heb ik veel geleerd. Ik zie niet langer dat ik niet gezien word: ik kijk zelf ook niet.

Op de sportschool heb ik ook die vaardigheid kunnen trainen. Ik kom er bijna dagelijks, voor klassikale lessen, altijd met dezelfde groep mensen. Kom ik iemand uit de groep tegen op straat of in een restaurant, dan groeten we niet. We `zien' elkaar eenvoudigweg niet. De reden van dat bewust ziende blind zijn is per definitie moeilijk te achterhalen. Ik vermoed dat het wortelt in een sociaal risico: het signaleren van de ander op die plaats, op dat moment, zou compromitterend kunnen zijn.

Ook in de sportzaal zelf is groeten geen vanzelfsprekende zaak. Na vijfeneenhalf jaar zeg ik een tiental medesporters gedag, ken ik er vier bij naam, en ben ik met twee na afloop van de les wel eens wat gaan drinken. Ligt het aan mij? Aan grootsteeds Parijs? Ik geloof het niet. Een Argentijnse vriend, hoogleraar aan de universiteit van het provinciale Amiens, vertelt me stomverbaasd dezelfde horrorverhalen. Hij is laatst naar het café geweest met enkele leden van zijn toneelclubje. Op zijn voorstel. Na negen maanden samen toneel te hebben gespeeld.

Berucht in de omgang met Fransen is hun veronderstelde arrogantie. Die bestaat: in hun boek L'arrogance française (Editions Balland, 2003) beschrijven Romain Gubert en Emmanuel Saint-Martin bloedstollende staaltjes. Maar de bron van die hooghartigheid lijkt eerder een minderwaardigheidscomplex dan het tegenovergestelde. Fransen zijn extreem onzeker. Hun neiging eigen land en volk systematisch te prijzen en te complimenteren laat zich niet alleen verklaren door hun hang naar retoriek. Op televisie wordt 's avonds altijd wel een keer gerefereerd aan de `excellence française'. Precies die term bezigt de president ook onverbloemd als hij een nieuw hogesnelheidstreinspoor opent of als er een nieuwe Airbus de lucht in gaat. Of als hij uit het ziekenhuis komt.

Alles wat Frans is, is per definitie uitstekend. Het geldt voor de taal, het onderwijs, de technologie, de posterijen, de spoorwegen en de gezondheidszorg. Dat het ene zowel als het andere – ja, zelfs de taal, die de Académie van vreemde smetten vrijwaart – kunstmatig in stand wordt gehouden en dat Franse ziekenhuizen zo berucht zijn om hun resistente bacteriën dat gerepatrieerde Nederlandse patiënten steevast in quarantaine gaan, doet er niet toe. Moet een familielid van mij geopereerd worden, dan vraagt een Franse vriendin in alle ernst of dat niet beter in Frankrijk kan gebeuren.

Zelfkritiek is niettemin mode. Sinds een jaar of twee liggen naast de kassa's stapels boeken met titels waarvan het woord `verval' de kern vormt. Een criticus als de econoom en jurist Nicolas Baverez maakt voortdurend korte metten met de zogenaamde Franse `excellence'. Volgens hem is zelfs de duizelingwekkende hoogte van de officiële staatsschuld van 1.100 miljard euro (meer dan driemaal zoveel als in 1980) een leugentje om bestwil en gaat het in werkelijkheid om 2.500 miljard euro. Ter gelegenheid van de Duitse verkiezingen deed dezelfde Baverez aan de hand van harde cijfers uit de doeken dat het evenzeer in vrije val geraakte en aan oude verworvenheden hechtende Duitsland er op dit moment heel wat beter voor staat dan Frankrijk. Anders dan Frankrijk heeft Duitsland hervormingen doorgevoerd.

Frankrijk laat zich niet hervormen. Geen behoudender land dan dit, zelfs van zijn sterren doet het geen afstand. Beroemdheden als Johnny Halliday, Charles Aznavour, Sylvie Vartan, Line Renaud – ja, vooral de met Bernadette Chirac bevriende Line! – zijn dat al veertig, vijftig jaar en en ze zijn nog steeds avond aan avond op televisie te zien. Week na week vullen ze de tijdschriftomslagen. De steeds vermoeidere trekken van sternieuwslezer Patrick Poivre d'Arvor worden op deze manier systematisch in beeld gebracht. Wekelijks sluit ik met mezelf weddenschappen af dat `PPDA' volgende week op geen enkele omslag zal staan. Ik verlies ze altijd.

,,Ja, maar'', protesteert een vriendin, die alle kritiek op haar onhervormbare land beu is, ,,de hele wereld is jaloers op onze douceur de vie.'' De Britten staan dan wel een ander, liberaal Europa voor en zijn tegen de landbouwsubsidies, maar wie kopen het Franse platteland op? ,,Juist, de Britten, en de Nederlanders en al die andere Angelsaksische liberalen!'' Ik sputter tegen, het ene sluit het andere tenslotte niet uit, maar ook ik besef: Frankrijk heeft wat te verdedigen. En te verliezen.

De oude, bewaarde charme van een stad als Parijs bewijst de goede kanten van de behoudzucht. Bijna geen groter genot dan in één van de talrijke bewaard gebleven overdekte winkelpassages een sinds ongeveer 1850 onveranderde etalage te bestuderen. Je afvragend waarvan die winkeltjes in hemelsnaam bestaan. Ze weerspiegelen, in het klein, de topzware, onder tekorten kreunende publieke diensten. Daarvan wegen de genoegens ook op tegen de nadelen. Het vuil wordt iedere dag opgehaald, de post drie keer per dag bezorgd. De bode heeft sleutels en codes van alle gebouwen. Knus, net als op een dorp. Wie een paar dagen weggaat, hoeft het maar te zeggen. ,,Geen probleem'', zegt de bode dan. ,,We houden uw post vast en zodra we merken dat u er weer bent, bezorgen we na.''

`Douceur de vie' – het zoete leven, ja, dat leven is Frans. De hogesnelheidstrein rijdt op tijd. En in alle richtingen. Het land waar hij doorheenschiet biedt nog altijd een pastorale aanblik. Glooiende velden met aan de horizon klokkentorens. Streken met eigen tongval en producten. Meer kaassoortenn dan het jaar dagen heeft, zoals oud-president De Gaulle zei, om de eigenzinnigheid van het volk te illustreren. Nergens in de moderne wereld, behalve misschien in Italië, zijn de markten zo talrijk, zo `artisanaal', zo overdadig. Nergens is eten, ondanks die overdaad, een zo belangrijk, uit de oertijd overgeleverd thema. Je wordt er weleens moe van, aan tafel, weer over de wijn te moeten praten en te horen dat de kool, zoals het hoort, in `zijn twee waters' gekookt is.

Maar al die finesses en uitgewisselde details verraden gevoel voor kwaliteit en raffinement. Voor geur en smaak. Voor welbehagen.

Wat ik het meest zal gaan missen, vragen Nederlanders me. De taal die, zo overvloedig als de Franse markten, voor alles zelfstandige naamwoorden kent en nuances die in het Nederlands beschrijvingen vergen – en voor het overige: dát, het eten. Dat wil zeggen de cultuur van het eten. Douceur de vie. De warme lunch. Laatst zag ik in Amsterdam vier Franse zakenlieden rondom het middaguur in lichte paniek door de straten lopen. Ik begreep ze en ik schaamde me voor het geknauw in bruine bollen met kaas aan formica-planken in de etalages van broodjeszaken. Vrienden en collega's houden me voor een aanstellerige expat. Ik krijg ruzie omdat de Nederlandse overheid volgens mij de warme maaltijd op school moet invoeren, net als in Frankrijk. In de strijd tegen Marsen, gevulde koeken en kantinekroketten, tegen het overgewicht. De zwaarste maaltijd dient midden op de dag genuttigd te worden, niet 's avonds.

Historica Ileen Montijn, gespecialiseerd in de materie, vertelde me dat 52 procent Nederlanders in 1964 nog `warm' at `tussen de middag'. Volgens haar gebruik onder `kleine burgers'. Was het daarom een slechte gewoonte? Ik vind van niet. Ik houd van de opwinding die zich tegen de middag van het Franse leven meester maakt. Iedereen is op de been, op weg naar een `resto'. Om de twee panden kun je terecht, binnen, op terrassen. Bedrijven geven werknemers chèqueboekjes met restaurantbonnen. Het is cultuur, helemaal niet kleinburgerlijk en juist mondain. Lekker eten, met voor-, hoofd-, en nagerecht. De tijd nemen. Het is goed voor stofwisseling en sociale cohesie. Het is net als met de publieke diensten: het kost wat, maar je krijgt er wel iets voor terug.

Het tijdstip van president Chiracs ontslag uit Val-de-Grâce was zonder enige twijfel zorgvuldig uitgekozen. Lunchtijd jongens, kon hij zonder al te veel omhaal zeggen. Niks geen vragen verder, kom op, we gaan eten.

Hij had gelijk. Het liep verdorie tegen enen. Ik vond het ook de hoogste tijd.

Pieter Kottman is opgevolgd door René Moerland (1970), die eerder sociaal-economisch redacteur en politiek redacteur was.

Wilt u reageren? Stuur uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf naar Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH ROTTERDAM