Achter de verf

Infraroodcamera's en röntgenapparaten kijken onder het verfoppervlak van schilderijen. Zo registreren ze de creatieve worsteling van de kunstenaar, of de bemoeienis van de opdrachtgever, ontdekte Ron Spronk.

HET BESLISSENDE moment was in Museum Boijmans van Beuningen, 17 december 1990. Die maandag – het museum was gesloten voor publiek – kreeg de Groningse student kunstgeschiedenis Ron Spronk, toen derdejaars, van zijn hoogleraar J.R.J. van Asperen de Boer op locatie les in `materialen en technieken'. Van Asperen de Boer, vader van de infraroodreflectografie (IRR) waarbij de camera door het verfoppervlak heen kijkt, liet zijn studenten ieder een schilderij onderzoeken.

Spronk koos voor een vroeg-zestiende-eeuws paneel van Jan Provoost, schilder te Brugge en bekend om zijn altaarstukken. Het ging om Het dispuut van de heilige Catharina van Alexandrië. Met de camera, deel van een gesloten tv-circuit, meanderde hij over het kunstwerk. De IRR-beelden op de monitor, steeds van een ander stukje schilderij, werden gefotografeerd – het digitale tijdperk moest nog aanbreken – en netjes aaneengelegd tot een complete óndertekening (niet te verwarren met signatuur): een eerste compositieschets waar de kunstenaar overheen heeft geschilderd.

``Dat was een bijzonder moment'', zegt Spronk. ``Altijd had ik schilderijen gezien als plaatjes. Opeens waren het objecten, driedimensionaal, met diepte, zijkanten en achterzijdes. Provoost werd planken verf met gewicht. Ik was zeer onder de indruk.''

vakbladen

Afgelopen maandag promoveerde Spronk in Groningen op tien materieel-technische studies naar Nederlands/Vlaamse schilderijen die hij vanaf 1995 in vakbladen en tentoonstellingscatalogi publiceerde. Zowel vijftiende-eeuwse meesters als Mondriaan passeren de revue. Wat de artikelen methodisch verbindt is de brug die ze slaan tussen overleden meester en publiek. Met infraroodreflectografie, röntgenonderzoek, uv-licht, materiaalanalyse, dendrochronologisch onderzoek naar jaarringen in panelen en stereomicroscopie (die onder meer retoucheringen en barsten in beeld brengt) komt de geschiedenis van een schilderij tot leven. Technisch onderzoek beslist over authenticiteit, zoals bij de vier `nieuwe' Rembrandts van donderdag. Ook onthult het met welke vragen de kunstenaar worstelde, welke wijzigingen hij aanbracht. Bij de transatlantische schilderijen van Mondriaan (zie kader) ging het om ingrijpende, welhaast met chirurgische precisie uitgevoerde series aanpassingen.

Ron Spronk promoveerde op onderzoek dat hij uitvoerde in dienst van de Harvard University Art Museums (Cambridge, Massachusetts). Startpunt was Provoost. Het scannen in Museum Boijmans van Beuningen leverde zulke interessante resultaten op dat Spronk de ondertekening bij Provoost tot onderwerp van zijn doctoraalscriptie maakte. Vanuit Bloomington, waar hij aan Indiana University samenwerkte met Molly Faries (afgelopen maandag promotor), sleepte Spronk in 1994 een internship in de wacht bij de conservator van het Fogg Art Museum, een van de Harvard University Art Museums – inmiddels is hij conservator onderzoek op het Straus Center voor restauratie. Weer was Provoost de drijvende kracht. Spronk: ``Harvard stond op het punt om een `Laatste oordeel' van Provoost in bruikleen te krijgen. Ik had jaren achter dat schilderij aangezeten – het was in particulier bezit, later is het aan Harvard geschonken – en hoewel ik het nog nooit had gezien wist ik er het nodige van. Een leuke binnenkomer bij het sollicitatiegesprek.''

Infrarood- en röntgenonderzoek van dit `Laatste oordeel' gaf interessante uitkomsten, en de toeschrijving aan Provoost kon worden bevestigd. Spronk: ``Jan Provoost was tussen 1510 en 1525 de belangrijkste schilder in Brugge, maar omdat hij zijn werk niet signeerde en slechts af en toe dateerde, is het lastig uit te maken of je met een authentiek werk te maken hebt. Technisch onderzoek kan hier van grote betekenis zijn.''

Jan Provoost schilderde, net als zijn tijd- en streekgenoten, op panelen van Baltisch eikenhout, dat zich uitstekend leent voor dendrochronologisch onderzoek. Op die ondergrond plamuurde hij eerst een witte laag van kalk en lijm en schuurde die na droging vlak. Op die laag schetste hij – vaak in zwart krijt – de ondertekening. Spronk: ``Die vervulde tal van functies. Een heel belangrijke is het uitschetsen van de compositie. Maar het kon ook zijn dat hij een taakafbakening binnen de werkplaats aangaf, bijvoorbeeld met kleurnotities. En natuurlijk kon de opdrachtgever zich aan de hand van de ondertekening een oordeel vormen en – als hij dat nodig achtte – bijsturen. Bij Provoosts `Het laatste oordeel' uit het bezit van het Detroit Institute of Arts, een vrij klein schilderij, is dat bij het gepronoceerd weergeven van kruiswonden wellicht het geval geweest. Die ondertekening biedt zicht op het creatieve proces. Dat is heel fascinerend, je kijkt mee over de schouder van de schilder.''

`Het laatste oordeel' van Detroit is verdeeld in een aardse en hemelse zone, gescheiden door wolkenpartijen. Christus rust op een regenboog, de voeten op een kristallen bol gedragen door drie engelen. Spronk: ``Die engelen vormen een interessant detail. Door de perspectivische weergave van de bazuinen, drie in de mond van de centrale engel en één in die van de flankerende engelen, krijgt het schilderij diepte en wordt de aandacht naar Christus getrokken. Maar bekijk je nu de ondertekening, via infraroodreflectografie aan het licht gebracht, dan zie je iets heel anders: één engel met in zijn mond maar liefst tien bazuinen.''

Op het moment dat Provoost echt gaat schilderen komt hij in de problemen: met geen mogelijkheid krijgt hij die tien bazuinen geloofwaardig in de mond van die engel. Spronk: ``Zelfs voor drie moet hij behoorlijk smokkelen om het te laten lijken. Om dat gevoel van diepte te handhaven zijn die kleine engelen er aan de zijkanten bijgezet. De röntgenopname van het schilderij toont wanneer dat is gebeurd. Op die foto zie je dat de wolkenlucht aansluit bij de positie van de centrale engel en onder de kleine engelen doorloopt. Die vorm van de grotere engel was uitgespaard uit de achtergrond, terwijl de twee kleinere engelen later over de lucht zijn heengeschilderd. De röntgenopname – hoe zwarter beeld, hoe beter de straling doordringt – is ter plekke van beide kleine engelen lichter, in overeenstemming met dikkere verf als gevolg van de extra laag.''

heilig

Bij zijn werk op Harvard leunt Spronk op collega's. ``Ik ben een heilig voorstander van interdisciplinaire samenwerking. Maar terwijl bij bèta's co-auteurschappen bij publicaties de gewoonste zaak van de wereld zijn, kijken kunsthistorici er nogal op neer, alsof zulke artikelen niet volwaardig zouden zijn. In mijn proefschrift staan twee stukken die ik samen met een ander heb geschreven, dat kon in Groningen nog net. Artikelen hebben in de wereld van de kunstgeschiedenis überhaupt een beperkte status, het ideaal is daar nog altijd de kloeke monografie.''

Als technisch kunsthistoricus binnen een restauratieomgeving op Harvard heeft Spronk een ongebruikelijke positie. ``Mijn onderzoeksopdracht is vrij, heel luxe. Ik ben nu bezig met een project over vroeg-Nederlandse tweeluiken en die tentoonstelling komt niet eens naar Harvard. Samen met een restaurator heb ik, dankzij het Getty Grant Program, in zeven restauratieateliers in Europa en de VS onderzoek kunnen doen naar die panelen. Op reis ging altijd een infraroodcamera mee en een digitale Hasselblatt met fantastische resolutie, en alle werken zijn onderzocht met röntgen en dendrochronologie. Zeker bij de studie van vroeg-Nederlandse schilderkunst is technisch onderzoek volledig ingeburgerd. Als je serieus onderzoek doet ben je bij musea welkom. In Chicago hangt een schilderij dat altijd aan Dirk Bouts werd toegeschreven, tot een dendrochronologisch onderzoeker ontdekte dat de boom waaruit het paneelhout kwam nog leefde toen Bouts al dood was. Dat wil je weten als kunsthistoricus – al is dat museum natuurlijk niet blij met zo'n uitkomst. Tegelijk is het goed te beseffen dat harde gegevens tot subjectieve interpretatie kunnen leiden. Soms zie je dat kunsthistorici technisch bewijs alleen omarmen als het in hun kraam van pas komt.''

Technische aspecten zouden binnen de kunsthistorische opleiding in Nederland meer aandacht moeten krijgen, vindt Spronk. Maar hij beoordeelt de situatie verre van rooskleurig. ``Molly Faries gaat in Groningen met emeritaat en een opvolger komt er niet. In de masterfase zouden studenten echt onderzoek moeten doen, zoals ik destijds bij Van Asperen de Boer. Helaas ontbreekt in ons land een centrale plek voor technisch onderzoek. Het Instituut Collectie Nederland heeft geen eigen digitale infraroodcamera. Niet dat het aan ambitie ontbreekt – de Universiteit van Amsterdam is net een nieuwe opleiding voor restauratoren gestart – maar men kampt met bezuinigingen. Intussen is digitalisering voor de kunstgeschiedenis net zo revolutionair als indertijd fotografie. Harvard heeft binnenkort de hele collectie online. Angst voor de digitale aanpak is overigens een generatieprobleem: het sterft uit.''

triptiek

Het jongste onderzoek uit Spronks proefschrift, februari dit jaar gepubliceerd in The Burlington Magazine, maakt de cirkel rond. `Het dispuut van de heilige Catharina', waar het in 1990 in Rotterdam allemaal mee begon, keert terug als linkervleugel van een Provoost-triptiek (drieluik) dat in de zestiende, zeventiende eeuw in de Jeruzalemkapel in Brugge stond opgesteld en dat door Spronk is gereconstrueerd. Het rechterluik bevindt zich in Antwerpen, maar het probleem was het centrale paneel. Spronk: ``Gedacht werd aan een `Mystiek huwelijk', Catharina die een ring aan de de vinger van het Christuskind schuift. Maar van Provoost was geen paneel bekend met zo'n onderwerp.''

De oplossing lag in Harvard's Houghton Library. Spronk: ``Provoost was rond 1520 in die stad leider van de broederschap van Jeruzalempelgrims. Ik deed onderzoek naar die beweging en terwijl ik met behulp van sloten koffie een uitermate saai boekje doorworstel, stuit ik ineens op een verhandeling over het gebruik van die Jeruzalemkapel uit 1710. Inclusief een beschrijving van het hoogkoor als kruisigingskapel, die rept van een Catharina-altaar en een relikwie van het heilig kruis dat daar is weggeborgen. Krijg nou wat, dacht ik. Provoost mocht dan geen `Mystiek huwelijk' hebben geschilderd, een `Kruisiging' was er wel. Dat paneel, met de juiste maten en stilistisch nauw aansluitend bij de zijluiken, hangt in het Groeningemuseum in Brugge. En nu had ik de iconografische sleutel om het in dat drieluik onder te brengen. Ook dendrochronologisch klopt het: het hout voor de drie panelen komt uit één boom.''

Het proefschrift van Ron Spronk is verkrijgbaar bij RCG, A-straat 16 te Groningen; 050 3143301, astraat@rcg.nl

    • Dirk van Delft