ABN Amro moderniseert het Italiaanse bankwezen

ABN Amro kan zo goed als zeker de Italiaanse bank Antonveneta kopen. ABN Amro-bankiers vertellen over de angst van de Italiaanse centrale bank en de complotten van de concurrent. Piano, piano!

Bankiers, ABN Amro-bankiers, gebruiken niet snel grote woorden. Ook niet als nu eindelijk lijkt te gaan lukken wat iedereen voor onmogelijk hield: de overname van de Italiaanse bank Antonveneta. Nee, geen juichstemming, zeggen ze op de dag dat concurrent Banca Popolare Italiana zich gewonnen geeft. Dat is hun stijl niet. Ze zijn met zo veel andere dingen bezig. Dit is er maar één van.

Maar dezelfde bankiers spreken wel van de vastberadenheid die ABN Amro het afgelopen half jaar getoond heeft, van de straightforwardness, de moed, de eerlijkheid, de discipline, het juridische vernuft. Ze prijzen de man door wie ABN Amro het zo heeft kunnen doen, omdat hij die eigenschappen zelf ook heeft: Rijkman Groenink, sinds mei 2000 voorzitter van de raad van bestuur. De beste bankier die er in Nederland is. Iemand die altijd de koninklijke weg heeft bewandeld. Die zich in al die maanden nooit heeft ingelaten met praktijken die het daglicht niet kunnen velen. Die daarom door de hele financiële wereld wordt bewonderd.

Ze zeggen nog net niet dat ABN Amro dáárdoor Antonveneta nu kan overnemen. Ze weten maar al te goed dat eerlijkheid niet altijd het langst duurt. ABN Amro had het gemakkelijk kunnen verliezen van de manipulaties van Gianpiero Fiorani van Banca Popolare Italiana, van de partijdigheid van Antonio Fazio, president van de Italiaanse centrale bank. Iedereen dacht deze zomer dat het ook zou gebeuren.

Maar nu dat niet zo is en het recht zegeviert, zeggen ze, nu zal ABN Amro de geschiedenis ingaan als de eerste buitenlandse bank die het voor elkaar kreeg om eigenaar te worden van een Italiaanse bank en die daarmee Italië twintig jaar vooruithielp. ABN Amro zal een wegbereider voor de eenwording van de Europese markt blijken te zijn, voor de verdergaande mondialisering van de Italiaanse economie. Niet dat ze het daarvoor hebben gedaan, en ook niet om hun eigen rol uit te vergroten. Maar ze kunnen er wel trots op zijn, vinden ze. Een geweldige boost voor het bedrijf.

Dit is niet het verhaal van Gianpiero Fiorani van Banca Popolare Italiana of van Antonio Fazio van de Italiaanse centrale bank. Die praten niet met journalisten, in elk geval niet met journalisten uit Nederland. Fiorani is vorig weekend afgetreden als bestuursvoorzitter, nadat de Italiaanse justitie hem in augustus al voor twee maanden uit zijn functie had gezet. Fazio is nog wel in functie, niemand die hem kan ontslaan. De Italiaanse minister van Financiën vindt dat zo schandalig dat hij eergisteren zelf ontslag nam. En nu zegt premier Berlusconi ook dat Fazio ook wegmoet.

Dit is het verhaal van ABN Amro-bankiers, en van advocaten en analisten die de bank goed kennen. Zij zijn het die praten over de angst en de complotten van de mensen die wilden voorkomen dat Antonveneta werd overgenomen door buitenlanders en die nu verloren hebben. Ze kijken terug op wat er vanaf de zomer van 2004 gebeurd is. Wanneer ze begonnen te begrijpen hoe de tegenwerking tegen ABN Amro georganiseerd was. Waarom ze dat niet eerder hadden kunnen zien. En waarom ze niet de kaasboeren waren die sommige Nederlandse kranten van hen maakten: in Italië rondbanjeren zonder te snappen hoe het spel daar gespeeld werd.

En dan: hoe erg was het voor ABN Amro geweest als de bank zich had moeten terugtrekken uit Italië?

Op 26 juli 2005 drukte de Italiaanse krant Il Giornale de transcriptie af van een telefoongesprek tussen Antonio Fazio van de centrale bank en Gianpiero Fiorani van Banca Popolare Italiana. Toen ze dat gelezen hadden, zeggen ABN Amro-bankiers, tóén werd hun opeens heel veel duidelijk. Ze wisten wel dat Fazio en Fiorani elkaar goed kenden. Twee van Fazio's drie kinderen werken bij Banca Popolare Italiana. Maar dat hun relatie zo persoonlijk was – nee, dat niet. Ze vonden het ongelooflijk.

Op 26 juli had ABN Amro de pogingen om Antonveneta over te nemen al bijna opgegeven. Er waren veel te weinig aandeelhouders geweest die hun aandelen aan ABN Amro hadden willen verkopen. Ze gingen bijna allemaal naar Banca Popolare Italiana. Dat daar niets van klopte, dat wist heel Italië. Consob, de Italiaanse beurstoezichthouder, rapporteerde in mei al hoe Fiorani had samengespannen om zoveel mogelijk aandelen Antonveneta in bezit te krijgen. Maar dat Fazio Fiorani had gehólpen – dat was nieuw.

Het telefoongesprek tussen Fazio en Fiorani was door justitie opgenomen in de nacht van 12 juli, een paar uur nadat Banca Popolare Italiana van de centrale bank toestemming had gekregen om een bod op heel Antonveneta te doen.

Fazio: ,,Bel ik je wakker?''

Fiorani: ,,Nee, nee.''

Fazio: ,,Oké, ik heb net mijn handtekening gezet.''

Fiorani: ,,Tonino, ik ben ontroerd, ik dank je... ik dank je... ik heb kippenvel... Tonino, ik zou je een kus op je voorhoofd willen geven, maar ik kan dat niet doen. Ik weet hoe veel je hebt geleden, ook ik heb geleden, met de structuur, met mijn advocaten, en als ik kon, zou ik het vliegtuig nemen en naar je toe komen.''

[Vervolg ANTONVENETA: pagina 22]

ANTONVENETA

Strijd om Antonveneta: wie de beste positie heeft, neemt de beslissingen

[Vervolg van pagina 21]

Antonio Fazio gaf die toestemming dus nadat Consob al op internet had gezet hoe crimineel Banca Popolare Italiana te werk was gegaan. Tussen november 2004 en eind februari 2005 was er al meer dan een miljard euro uitgeleend aan bevriende zakenmannen: koop er aandelen Antonveneta voor en wij kopen ze straks tegen een hogere prijs terug.

Twee medewerkers van de centrale bank hadden Fazio afgeraden om Banca Popolare Italiana toestemming voor de overname van Antonveneta te geven. Maar Fazio had niet naar hen geluisterd. Dat werd bewezen door een ander telefoongesprek, waarvan de transcriptie ook in de kranten kwam. Een hogergeplaatste medewerker, Francesco Frasca, beklaagde zich er in dat telefoongesprek over dat twee ondergeschikten buiten hem om een negatief oordeel over de voorgenomen toestemming hadden gegeven. ,,En nu moet ik dat oordeel doorgeven aan de president en die heeft me al bij voorbaat verteld dat hij het niet zal accepteren.''

Dat Fiorani van Banca Popolare Italiana blij was met de hulp van Fazio was voor ABN Amro niet moeilijk te begrijpen. Zijn bank was klein en zwak, en als hij de kans kreeg om het grote en sterke Antonveneta over te nemen, dan waren zijn problemen opgelost. En dan was hij de nieuwe bestuursvoorzitter van een bank met een goede positie in het rijke noorden van Italië.

Maar wat bezielde Antonio Fazio?

Hij wilde de Italiaanse banken Italiaans houden. Dat had hij altijd gezegd en dat begreep ABN Amro ook wel. Italiaanse banken zijn zoals Nederlandse banken twintig jaar geleden nog waren: klein, lokaal, voor een deel nog bestuurd door coöperaties of in bezit van de overheid. Eerst privatiseren en fuseren, dan misschien internationaal worden, vond Fazio. Maar niet nu al laten opkopen door Nederlanders of Spanjaarden of wie dan ook, en moeten toezien hoe de samenwerking tussen Italiaanse bankiers en Italiaanse ondernemers gefrustreerd raakt en de Italiaanse economie daaronder moet lijden.

Piano, piano. Dat is wat ABN Amro-bankiers van Fazio te horen kregen, elke keer dat ze hem zeiden hoe graag ze een grote positie in Italië wilden opbouwen. Rustig aan. Komt wel. En zo deed ABN Amro het ook. So be it, dachten ze. Met veel geduld en liefde legden ze contacten en bouwden ze relaties op. Ze dachten: Italiaanse banken zijn niet efficiënt en niet zakelijk genoeg, wij kunnen hier goed werk verrichten. En als de grenzen een keer opengaan, zitten wij op de voorste rij. Dan kunnen we in Italië doen wat in België en Frankrijk mislukte: een nieuwe markt voor ABN Amro ontwikkelen, naast Nederland, de Verenigde Staten en Brazilië, om te kunnen groeien en heel veel geld te verdienen.

Wat een onzin, zeggen ABN Amro-bankiers, om te denken dat ze als kaasboeren in Italië rondstampten. Typisch Nederlands, altijd dat minderwaardigheidscomplex. Ze zaten er al jaren. Ze hadden in 1994 bijvoorbeeld al een commissaris bij de voorloper van Antonveneta. En in 1999 kregen ze een belang van 9 procent. In 2002, toen Antonveneta naar de beurs ging, werd het bijna 13 procent. Door een pact met andere, Italiaanse aandeelhouders te sluiten, kreeg ABN Amro zeggenschap over Antonveneta: benoeming van commissarissen en de bestuursvoorzitter.

ABN Amro wist dat Antonio Fazio van de centrale bank zou gaan tegenwerken als er een bod op heel Antonveneta zou worden gedaan. Dat hadden ze verwacht. En ze hadden er rekening mee gehouden, zeggen ze, toen ze ter voorbereiding van het bod scenario's uitwerkten. Maar ze hadden niet verwacht dat hij, uit angst voor een buitenlander, een zwakke bank zou helpen om een sterke bank over te nemen. Dat had, vinden ze, níémand kunnen bedenken.

Dan die aandelen Antonveneta waarop Banca Popolare Italiana al op kon rekenen voordat ABN Amro in maart 2005 het bod uitbracht. Hóé dat gebeurde, wist ABN Amro niet. Maar dát het gebeurde, wist ABN Amro wel. Het was, zeggen ABN Amro-bankiers, de reden om dat bod te doen.

Vastzitten op een stoel en moeten toezien hoe de vijand met getrokken zwaard dichterbij komt – zo voelde ABN Amro zich in de maanden voor maart. Het begon in de zomer van 2004, toen Italiaanse leden van het pact waarin ABN Amro ook deelnam, zeiden dat ze het pact in april 2005 wilden beëindigen. Die leden waren particuliere investeerders die met elkaar een belang van 10 procent in Antonveneta hadden. Een van hen was Emilio Gnutti, liefhebber van antieke sportwagens, beroemd en berucht als corporate raider, eerder al door de rechter schuldig bevonden aan handel met voorkennis, eigenaar van de beleggingsmaatschappij Hopa, waarvan Gianpiero Fiorani van Banca Popolare Italiana commissaris is. Later bleek dat hij voor Banca Popolare Italiana aandelen Antonveneta was gaan kopen.

Voor ABN Amro was het te begrijpen dat die particuliere investeerders niet verder wilden met het pact. Een bank neemt een belang in een andere bank om strategische redenen. Particuliere investeerders doen het om het geld. Er waren meningsverschillen geweest, steeds over lange termijn of korte termijn. Maar ABN Amro maakte zich geen zorgen. Het pact kon worden voortgezet met Lloyd Adriatico, eigendom van de Duitse verzekeringsmaatschappij Allianz. Lloyd Adriatico had ook om strategische redenen een belang in Antonveneta: verzekeringen verkopen aan Italiaanse consumenten. ABN Amro dacht dat de familie Benetton, met een belang van 5 procent, wel in het pact zou blijven. En anders zou ABN Amro het belang van de familie Benetton kunnen overnemen. Alleen mocht daar volgens de regels van het pact pas over worden onderhandeld vanaf april, als het pact was aflopen.

Voor ABN Amro werd het verraad in december 2004 zichtbaar. Toen hoorde ABN Amro's eerste man in Italië, Francesco Spinelli, dat Gilberto Benetton in Rome bij de centrale bank was gesignaleerd. Waren er van de gesprekken die hij daar voerde ook maar opnamen gemaakt. Volgens Consob, de Italiaanse beurstoezichthouder, moet hij toen van Antonio Fazio te horen hebben gekregen hoe hij zich een goede Italiaan kon betonen. Geen aandelen verkopen aan ABN Amro, maar aan Banca Popolare Italiana. Twee weken na Gilberto Benettons bezoek aan de centrale bank kreeg Benetton van Banca Popolare Italiana een lening van 325 miljoen euro, terug te betalen met geld of met aandelen Antonveneta.

Maar dat werd pas bekend in mei 2005, toen Consob zijn rapport over de aandelentransacties Antonveneta tussen november 2004 en februari 2005 had gepubliceerd. ABN Amro vermóédde in december dat een andere partij een groot belang in Antonveneta wilde krijgen. In januari 2005 was duidelijk wie het was: Banca Popolare Italiana. Er kwam een voorstel, dat achteraf ook door Fiorani en Fazio samen bedacht bleek te zijn: Banca Popolare Italiana zou zich laten overnemen door Antonveneta en in ruil daarvoor aandelen Antonveneta krijgen. En dan zou ABN Amro samen met Banca Popolare Italiana eigenaar van Antonveneta zijn.

Dat wilde ABN Amro niet. Het belang van Banca Popolare Italiana zou veel groter worden dan dat van ABN Amro. ABN Amro zou niets meer te zeggen hebben. En wat moet een Nederlandse bank met een belang in een Italiaanse bank als het niet bijdraagt aan de strategie? Dat belang is waardeloos. In januari 2005 concludeerden de raad van bestuur en de commissarissen van ABN Amro dat er maar één mogelijkheid was om dit scenario te voorkomen: een bod doen op alle aandelen Antonveneta.

Dit waren de overwegingen: als het bod zou slagen, was ABN Amro eigenaar van Antonveneta en kon de markt in Italië worden uitgebreid. En als het zou mislukken, zou de ándere bieder de aandelen moeten kopen. Dan zou er een winst van meer dan een half miljard euro zijn. De aandeelhouders van ABN Amro zouden in beide gevallen voordeel hebben. De raad van bestuur en de commissarissen dachten na over de mogelijke reputatieschade voor Rijkman Groenink en voor de bank als het bod mislukte. Maar ze concludeerden dat ABN Amro alleen maar iets kon worden verweten als er géén bod werd uitgebracht. Dat was pas slecht bankieren.

Een uphill battle zou het worden, dat wisten ze. En dat werd het ook, maar erger dan ze hadden gedacht. Op de dag dat ABN Amro het bod op Antonveneta uitbracht, 30 maart, was meer dan 25 procent van de aandelen al in bezit van Banca Popolare Italiana of van vrienden daarvan. De particuliere investeerder Emilio Gnutti, op dat moment nog lid van het pact met ABN Amro, bleek zijn zakenvriend Gianpiero Fiorani achteraf zeer behulpzaam te zijn geweest. De leningen waarmee de aandelen gekocht werden, gingen voor een groot deel naar hem en naar zijn netwerk van zakenvrienden.

Op de dag dat ABN Amro toestemming van de centrale bank kreeg om haar belang uit te breiden naar 30 procent, 27 april, had winst Banca Popolare Italiana samen met vrienden al meer dan 50 procent. ABN Amro was op dat moment al kansloos, en dat bleek ook op de aandeelhoudersvergadering van Antonveneta die drie dagen later plaatshad. Het bestuur dat door ABN Amro en de andere leden van het pact was benoemd werd weggestemd. Er kwam een bestuur dat voor een overname door Banca Popolare Italiana was, met als een van de leden: Gianpiero Fiorani.

Er waren medewerkers van Antonveneta die na de vergadering moesten huilen. Maar ABN Amro-bankiers huilden niet. Nee, het idee alleen al. Een overname van een bank is een zakelijk proces, zeggen ze. Niet iets om emotioneel van te worden. En als dat zakelijke proces lijkt te worden verstoord door onreglementaire of onwettelijke handelingen, dan gaan ABN Amro-bankiers kijken wat daaraan gedaan kan worden.

De overname van Antonveneta was vanaf eind april geen spel van loven en bieden meer, maar een a lawyer's paradise. De benoeming van het nieuwe bestuur van Antonveneta werd aangevochten bij de rechter. ABN Amro werd in het gelijk gesteld. De bevoordeling van Banca Popolare Italiana boven ABN Amro – de Italianen kregen in april eerder toestemming om het belang in Antonveneta uit te breiden naar 30 procent dan de Nederlanders – werd ook aangevochten. Daarin kreeg ABN Amro geen gelijk. Als het anders was geweest, had het toch niet geholpen. Eind juli kon ABN Amro alleen maar vaststellen dat de bank nooit 51 procent van de aandelen Antonveneta zou krijgen, ook niet nadat het bod was verlengd en verhoogd.

Maar intussen deed justitie invallen bij Banca Popolare Italiana, bij Emilio Gnutti en andere zakenmannen, en bij de Italiaanse centrale bank. Echt dapper, vonden ABN Amro-bankiers. De Italiaanse justitie die de Italiaanse centrale bank en de Italiaanse nouveau riche zo hard aanpakt, daar hadden ze niet van durven dromen. Op 25 juli 2005 werd er beslag gelegd op het belang in Antonveneta dat Banca Popolare Italiana met de hulp van vrienden had opgebouwd. Het is dit belang dat vorige week door Banca Popolare Italiana te koop is aangeboden aan ABN Amro.

ABN Amro liet vanaf maart maandenlang advertenties afdrukken in Italiaanse kranten. Un mondo di opportunità che se apre. (Een wereld van mogelijkheden die opengaat.) Un simbolo forte, una grande società. (Een krachtig symbool, een grote onderneming.) Maar de echte campagne begon pas na eind juli en daar hoefde ABN Amro zelf niets meer aan te doen. Sinds de telefoongesprekken tussen Antonio Fazio en Gianpiero Fiorani openbaar zijn geworden, schrijven Italiaanse kranten elke dag over de schande voor Italië van een centrale bankier die is blijven steken in nepotisme en protectionisme. The Economist, The Financial Times en The Wall Street Journal publiceerden de afgelopen weken analyses waarin de vraag werd gesteld waarom Fazio zich zo had gedragen, hoe het kon dat hij in functie bleef en wat dit zei over de mate waarin Italië zich buiten Europa plaatste.

Daarmee vergeleken is het oordeel van ABN Amro-bankiers over Fazio mild. Bij de presentatie van de jaarcijfers van ABN Amro, op 1 augustus, zei Rijkman Groenink dat Fazio de situatie niet meer in de hand had gehad. Fazio had alleen maar willen voorkomen dat ABN Amro een bod op heel Antonveneta uitbracht. En hij bereikte het tegendeel.

Rijkman Groenink heeft het belang voor ABN Amro van de overname van Antonveneta het afgelopen half jaar steeds gerelativeerd. ,,We willen graag succesvol zijn, maar onze toekomst hangt niet van deze acquisitie af.''

Is dat zo?

Daarover verschillen de meningen, ook binnen ABN Amro.

De ene mening is dat ABN Amro zonder een nieuwe markt in Italië weer niet had kunnen groeien en daardoor gemakkelijk zou kunnen worden overgenomen door een grotere bank. Belangstelling genoeg. Royal Bank of Scotland, BNP Paribas, Citigroup, HSBC.

De andere mening is dat ABN Amro met Italië nog veel aantrekkelijker wordt voor al die grotere banken. Het maakt niet uit dat ABN Amro nu duurder wordt. Een bank die 35 miljard euro kan betalen, kan ook 42 miljard euro betalen.

Is het erg, als ABN Amro een buitenlandse eigenaar krijgt?

Er zijn ABN Amro-bankiers die liever master of their own destiny blijven. Die vinden het niet leuk als er in Londen of Parijs over hun lot beslist wordt. Maar andere ABN Amro-bankiers zijn pragmatischer. Europese banken maken nu in het groot door wat in Italië in het klein gebeurt. De komende jaren zal net zo lang gefuseerd en overgenomen worden totdat er nog maar een paar conglomeraten over zijn. ABN Amro moet niet bang zijn, maar meedoen. Het is een scalegame. Wie de beste positie heeft, neemt de beslissingen.

Op 1 juni kreeg Banca Popolare Italiana van een groep Europese banken bijna 5 miljard euro te leen om Antonveneta te kopen. Opportunistisch, vonden ABN Amro-bankiers. Hoe konden ze dat nou doen? Zo veel geld geven aan zo'n zwakke bank?

Maar die Europese banken – Royal Bank of Scotland, BNP Paribas, Deutsche Bank, Dresdner Bank – vonden dat de bankiers van ABN Amro niet moesten zeuren. Banken verdienen hun geld met leningen verstrekken. En zo'n mooie kans om de concurrent op achterstand te zetten. Die zou ABN Amro toch ook nooit voorbij hebben laten gaan?

Met medewerking van Heleen de Graaf en Jeroen Wester.

    • Jannetje Koelewijn