Zetbaas van Van der Ploeg

De discussie over de manier waarop kunstsubsidies moeten worden verdeeld is niet nieuw. In 2001, na het tot stand komen van de vorige Cultuurnota, schreef de toenmalige staatsecretaris van Cultuur, Rick van der Ploeg (PvdA), een voorstel met wijzigingsplannen. Wie zijn brief aan de Tweede Kamer van 18 mei 2001 terugleest, ziet de overeenkomsten met de brief aan de Kamer van de volgende staatssecretaris, Medy van der Laan, van 16 september 2005, getiteld Verschil maken. De contouren van Van der Ploegs voorstellen komen in wezen overeen met wat Van der Laan beoogt.

Haar voorstel doet drie belangrijke ingrepen in de cultuurnotasystematiek. Eén: een ondergrens van bestuurlijke professionaliteit moet ervoor zorgen dat 100 à 150 kleine instellingen voortaan subsidie aanvragen bij de fondsen, die in staat worden gesteld ook vierjarige subsidies te verlenen. In 2001 wil Van der Ploeg `de druk op het systeem' verminderen door middel van een financiële ondergrens voor toelating tot de cultuurnota. Wie dat niet haalt, valt onder de `verantwoordelijkheid van de fondsen'. Daartoe moet fondsen in staat worden gesteld `meerjarig te subsidiëren'.

Twee: een drietal groepen grote instellingen krijgt uitzicht op langdurige subsidiëring en wordt voortaan niet door de Raad voor Cultuur maar door de internationale visitatiecommissies beoordeeld.

Van der Ploeg stelde dat de `eenvormige adviespraktijk' onvoldoende recht doet aan de `grote culturele publieksinstellingen'. Hij stelt voor die instellingen `met meer diepgang, te laten beoordelen door visitatiecommissies onder auspiciën van de Raad.' Voor visitatiecommissies `kunnen uitdrukkelijk ook buitenlandse experts in aanmerking komen.'

Drie: Een scheiding in de Raad voor Cultuur: de centrale raad is er voor strategische beleidsadviezen en de commissies (van sectoren als film, theater, muziek, etc.) voor beoordeling van culturele instellingen. De voorzitters van de commissies zijn niet langer automatisch raadslid. De Raad wordt gevormd door zeven of negen generalisten.

In 2001 opperde van der Ploeg dat de leden van die raad een `meer coördinerende en vooral een meer strategische rol' moesten krijgen. Dit om ze `onafhankelijker' te laten staan tegenover de commissies en werkgroepen. Over de eventuele wens `generalisten' aan te stellen komt er een half jaar later een persbericht: `Raadsleden zullen in de toekomst vooral generalisten met specifieke vakkennis zijn die integraal over het cultuurbeleid kunnen adviseren.'

De Raad voor Cultuur steunde de staatssecretaris grotendeels op genoemde punten. Twistpunt was dat Van der Ploeg de Raad wilde terugbrengen van 25 naar 14 leden. Dat accepteerde de Raad niet, al verhoogde hij het aantal commissieleden van 35 naar 60. De verkleining van de Raad beheerste de berichtgeving en het Kamerdebat, waardoor als compromis werd besloten dat de Raad pas per 1 januari 2005 zou krimpen. Van der Ploeg goot zijn plannen in een voorstel tot wetswijziging. De val van het tweede kabinet-Kok voorkwam dat het voorstel werd behandeld.

Van de genoemde voorstellen werd niets meer vernomen. Tot een notitie van begin dit jaar, De cultuurnotasystematiek en de toekomst van de Raad voor Cultuur, geschreven door de raad als voorbereiding voor een aantal debatten over de cultuurnotasystematiek. De raad noemt het `voortschrijdend inzicht' dat het tijd was om kleine gezelschappen onder te brengen bij de fondsen. De grotere instellingen deelde de raad verder op in `onmisbaar', beoordeeld door visitatie, en instellingen `met een goede bedrijfsvoering'.

Wat nam Van der Laan niet over? Zij wil niet aan het eens per acht jaar financiële consequenties verbinden aan visitaties voor de `onmisbaren' en houdt vast aan het vierjaarlijks vaststellen van de subsidie. Dat maakt nogal verschil.

    • Ron Rijghard