Wijs geen zondebok aan in Schiedammer parkmoord

Betrokkenen bij seksuele delicten moeten kritisch worden ondervraagd, ook als het kinderen zijn. De ingewijden die zich geschokt tonen over de rol van prof. Bullens in de zaak Maikel, zijn niet naïef maar schijnheilig, meent W.A.Wagenaar.

Onlangs is in het rapport van de advocaat-generaal Posthumus over de Schiedammer parkmoord, en vervolgens in de media, de rol van rechtspsycholoog prof. R. Bullens ernstig bekritiseerd. Bullens heeft hierop gereageerd in een interview met deze krant (19 september) waarin hij stelt dat hem, in zijn rol als de deskundige, meer macht wordt toegekend dan reëel is. Een belangrijke vraag is of Bullens anders heeft gehandeld dan binnen ons rechtssysteem van hem wordt verwacht. Realiseert men zich wel dat er ieder jaar in ons land honderden, zoniet duizenden kinderen op een harde wijze over schokkende misdrijven worden gehoord?

In nogal wat zaken zijn kinderen de belangrijkste getuigen; dit komt vooral voor in zaken waarin kinderen mogelijk het slachtoffer zijn van seksueel misbruik. De systematiek van het strafrecht, waar ook ter wereld, vereist dan dat het kind kritisch wordt verhoord. Dat is niet prettig voor die kinderen, want het verhoor kan lang duren, en het gaat over zaken waarvan wij eigenlijk vinden dat kinderen er niet mee geconfronteerd moeten worden: over geslachtsdelen, pies en poep, pijpen en beffen, sperma, geweld, verwondingen, bedreigingen, misschien zelfs over doodslag en moord. Deze ellende wordt veroorzaakt door een maatschappelijk dilemma: óf we sparen deze kind-getuigen, óf we zien af van de vervolging van bedrijvers van seksueel misbruik. Voorlopig is de voorkeur om kinderen niet te sparen, hoewel daarbij natuurlijk wel de grenzen in het oog gehouden moeten worden. Wat zijn die grenzen, en wie let daar op?

Er worden drie soorten grenzen gehanteerd: fatsoensnormen van de man in de straat, de psychologische grens waarbij het kind nog net geen schade van het verhoorproces ondervindt, en de juridische grens waarbij het verhoor nog net niet strafbaar is.

Het zal duidelijk zijn dat de fatsoensnorm van de man in de straat bij vrijwel al deze verhoren wordt overschreden, en dat kan ook niet anders. De grens waarbij het kind wordt beschadigd ligt veel verder, maar is natuurlijk niet helder gedefinieerd. Deze grens zal afhangen van het misdrijf en van het incasseringsvermogen van het kind. De derde grens ligt nog verder weg, en misschien zelfs in het oneindige, omdat er vrijwel geen wettelijke bepalingen zijn over het verhoren van kinderen. In de praktijk is daarom de tweede grens het meest relevant: beschadig de kinderen niet. Maar wie beoordeelt dat?

De bewaking van het verhoorproces hangt ten nauwste samen met de wijze waarop het verhoren van kinderen wordt georganiseerd. In Nederland verhoren wij kind-getuigen niet in de rechtszaal, maar in een verhoorstudio. Per jaar worden er ongeveer 1200 registraties van zulke ellendige verhoren gemaakt, waarbij zich vrijwel altijd het probleem voordoet dat de grens van het toelaatbare in het oog gehouden moet worden. In kritieke situaties laat men daarom het verhoor uitvoeren of bewaken door een pedagoog of psycholoog, die kan beoordelen wat het kind nog aankan. Dat is geen aantrekkelijke taak want, zoals gezegd, de normale fatsoensnorm wordt ruim overschreden. Maar je kan geen verdachte veroordelen voor gruwelijke misdrijven, zonder dat de belangrijkste getuige over diezelfde gruwelijkheden is gehoord; in sommige gevallen is het zelfs nodig om de gruwelen heel concreet na te spelen.

In de zaak van Maikel is dit alles niet anders gelopen. Buitenstaanders die hierover geschokt zijn, kunnen maar beter hun naïveteit overboord zetten; of denken zij echt dat de opsporing zonder zulke verhoren kan werken?

De ingewijden die zich geschokt tonen over de rol van prof. Bullens in de zaak Maikel wil ik niet naïef noemen, maar schijnheilig; zij wisten immers heel goed dat de logica van het strafrecht zulke methoden vereist?

Inmiddels lijkt men bereid het maatschappelijke dilemma op te lossen door een zondebok aan te wijzen. Maar dan wordt met drie maten gemeten. De publieke verontwaardiging over Bullens' rol is ontstaan door de toepassing van een fatsoensnorm die in de opsporing niet geldig is. De opsporingsambtenaren, het openbaar ministerie en de rechters worden buiten schot gehouden door de toepassing van het juridische criterium: niemand heeft de wet overtreden. Daarbij heeft het rechtssysteem van Bullens verwacht het middelste criterium te hanteren: laat de verhoorders gaan tot de grens waar het kind nog net niet wordt beschadigd. Kan dit meten met drie maten worden voorkomen?

Ja, dat kan. Uiteindelijk moet de rechter controleren of aanvaardbare methoden van onderzoek zijn gebruikt. Het is daarom niet onredelijk dat de rechter zich vanaf het begin bemoeit met het verhoren van kind-getuigen, en daarbij de grenzen vaststelt. Maar dat wil de rechter niet. Het komt vrijwel niet voor dat de rechter zelf zulke kinderen in de rechtszaal, of in een besloten bijeenkomst, hoort. Het komt ook niet vaak voor dat de rechter-commissaris zulke kinderen hoort. Rechters zijn nooit aanwezig bij studioverhoren, en weigeren systematisch de registraties van die verhoren te bekijken. Mijn schatting is dat er van de 1200 registraties per jaar nog geen tien integraal door de rechter worden gezien. In plaats daarvan draagt de rechter deskundigen – psychologen en pedagogen – op om de registraties te beoordelen, en om de rechter te rapporteren of de verklaring van het kind betrouwbaar is. Daarmee vermijden zij de pijnlijke kant van dit soort opsporing, en kunnen zij toch op grond van wettige bewijsmiddelen de boosdoeners veroordelen. Het is clean, maar het is niet goed, want zij leggen het uiteindelijke oordeel in de handen van een deskundige.

Dit alles wordt veroorzaakt door de maatschappelijke druk op het vervolgen van seksueel misbruik. Er is in ons land geen aangiftedelict dat tot zoveel valse aangiften leidt; zo'n 50 procent van de gevallen is niet ongewoon. Dat wordt mede veroorzaakt door juist de maatschappelijke druk die de valse aangever bijna de garantie geeft dat een aangifte leidt tot vervolging. Ik heb geen opinie over dit maatschappelijke verschijnsel, maar wel over het niet aanvaarden van de consequenties.

Een belangrijke consequentie is dat aangevers kritisch ondervraagd moeten worden, ook als het kinderen zijn. En dat die ondervragingen zeer ver zullen gaan. Dat een deel van de jonge aangevers zal worden aangezien voor leugenaars of medeplichtigen – vaak terecht, soms ten onrechte – is iets waar de ondervraagde kinderen vast niet beter van zullen worden. Maar het aanwijzen van een zondebok lost dit probleem niet op. Zou men niet beter maatregelen kunnen nemen om valse aangiften wat minder aantrekkelijk te maken? En om rechters te beletten hun verantwoordelijkheid op zo grote schaal te ontduiken?

Prof. dr. W.A. Wagenaar is universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht en hoogleraar psychologie en recht aan de Universiteit Leiden.