Weg geld, welkom regeldruk

De herziening van het subsidiestelsel is een ramp voor de verscheidenheid van de kunsten, betoogt theatermaakster Ellen Walraven.

`Verschil maken', dat is wat de staatssecretaris van Cultuur Medy van der Laan wil. Getuige de titel van haar laatste nota, waarin zij een herijking van het kunstsubsidiesysteem bepleit. Letterlijk maakt ze verschil door allerlei spelers in het kunstenveld op andere posities te zetten. Symbolisch doet ze dat door het beleid van haar voorganger Rick van der Ploeg teniet te doen. Met hem kwamen er veel nieuwe kunstinstellingen de Cultuurnota binnen; deze worden er weer uitgebonjourd.

Wat staat er te gebeuren? De podiumkunsten vallen straks uiteen in drie categorieën. De kleine en middelgrote groepen verdwijnen naar de fondsen, de grote blijven in de Cultuurnota (met elke vier jaar een nieuwe subsidieaanvraag). De derde categorie krijgt een langdurig subsidieperspectief en zal via visitatiecommissies beoordeeld worden.

Het is een verademing dat bijvoorbeeld een klein mimegezelschap als Bambi niet meer aan dezelfde subsidievoorwaarden hoeft te voldoen als De Nederlandse Opera. En dat bij de Raad voor Cultuur de functies van kwaliteitsinspecteur en strategisch beleidsadviseur worden losgekoppeld. Een kleine raad van generalisten moet voortaan zorgen voor een inhoudelijk debat over kunst en voor cultuurpolitiek advies.

Dat zo'n debat hard nodig is, blijkt wel uit deze nota van Van der Laan. Er staan bijna alleen beheersmatige doelen in, terwijl het ministerie van OCW (Cultuur) uiteindelijk meer invloed en eigen budget opeist met onder meer subsidies voor speciale doelen. Een inhoudelijke grondslag ontbreekt nagenoeg. Wat je ook vond van het cultuurbeleid van Van der Ploeg (meer allochtonen en jongeren), er kòn wat van gevonden worden. Nu valt er niet veel te vinden, maar des te meer te vrezen – voor de diversiteit van de kunsten.

Laten we onderaan beginnen. Zo'n 100 tot 150 instellingen – goed voor 10 procent van het budget – worden overgeheveld naar de fondsen, met name het Fonds voor de Amateur- en Podiumkunsten. De `zaaglijn' wordt niet aangegeven, maar wordt bewaard tot de volgende cultuurnota. Over een jaar of twee wordt keurig bepaald welke kunst bij welk domein hoort – op grond van sectoranalyses. Opmerkelijk, want waren het nu niet juist zaken als sectoranalyses waarvan de staatssecretaris zei dat de Cultuurnota er te veel mee is opgetuigd?

Wat zijn de consequenties voor de kleine en middelgrote instellingen? Op het niveau van het systeem betekent dit het einde van de politieke invloed van de kleine instellingen. Die was niet bijster groot maar de politieke arena van de Tweede Kamer is niet langer hun domein; minder `zeehondjes' bestoken voortaan de Kamerleden. De grote spelers daarentegen kunnen nog altijd meeblazen.

Ideologisch betekent dat onder het mom van meer artistieke vrijheid (lees: subsidie van een fonds in plaats van het rijk) veel kunst wordt afgeserveerd als niet relevant voor politieke discussie. Waarom is `klein' altijd: beginnend, experiment, marge, op weg naar groot, et cetera? Waarom nooit een artistieke keuze? Bijvoorbeeld omdat de ervaring die makers hun publiek willen geven beter tot zijn recht komt in een kleine zaal, in een duinpan of op een lapje braakland. Of omdat zij in deze tijd van verregaande mediatisering het publiek daadwerkelijk willen ontmoeten en recht in de ogen kijken. Waarom dit segment met een flauwekul-argument als het waarborgen van de artistieke expressie parkeren in een enclave, de fondsen? Het antwoord in de nota is louter technocratisch: minder last van regeldruk. Het is vraag of dat klopt.

Praktisch betekent dit het einde van veel gezelschappen omdat zij niet langer onder convenantafspraken vallen. Convenant is een mooi woord voor een contract tussen stad, provincie en rijk om voor een periode van bijvoorbeeld vier jaar gezamenlijk een instelling te financieren. Met een fonds kan geen convenant worden afgesloten. Weg gelden. Welkom regeldruk. Het bestoken van gemeenteraad en provinciale staten bij elke begrotingsbehandeling, zit weer in het dagelijkse takenpakket.

Voor een toneelgezelschap als 't Barre Land, waar ik voor werk, is een convenant een zegen. Vier jaar relatieve rust. Elk jaar maak je natuurlijk netjes jaarverslag en activiteitenplan, jaarrekening en begroting, maar de hoogte van het budget staat niet ter discussie. Dat maakt niet lui. Dat betekent niet dat je aan een subsidie-infuus ligt: elke euro wordt nog altijd tien keer omgedraaid en er wordt hard gewerkt om additionele gelden binnen te slepen. Het betekent wel, dat kunstenaars de taak kunnen waarmaken waarvoor ze voor gesubsidieerd worden: dingen bedenken die er nog niet zijn en daar zoveel mogelijk en zo goed mogelijk publiek bij zoeken.

Voor iedere instelling liggen in de convenant de bijdragen van overheden in andere verhoudingen vast. Een vaak voorkomende verhouding is 70 procent rijksgeld en 30 procent stedelijke en provinciale gelden. Bij veel jeugdtheatergezelschappen is het anders. De provincies zijn daar voor 50 procent van de financiering verantwoordelijk. Voor hen zijn de gevolgen niet te overzien. En dan hebben we het over een van de meest bijzondere kunstvormen in Nederland waar de hele wereld likkebaardend naar kijkt. Programmasubsidies voor educatie en voor kunst en school; ze zijn er straks in overvloed, maar de makers nog maar op één hand te tellen!

De gezelschappen die wel in de cultuurnota blijven worden niet genoemd maar zijn ongetwijfeld: Toneelgroep Amsterdam, Het Nationale Toneel, het Ro-theater, Het Nationale Ballet, Nederlands Dans Theater, de voorzieningen in de regio als Het Vervolg en het Noord Nederlands Toneel en verder de productiehuizen en een enkel festival. Zij vallen direct onder het ministerie in het zogenaamde subsidieplan. Zij krijgen strenge voorwaarden ten aanzien van verkoop, sponsoring, bijdragen van gemeenten en provincies.

Inzicht in die voorwaarden is er niet en het is maar de vraag hoe hoog de prijs voor deze vierjarige subsidie gaat worden. Ook hier wordt inhoud node gemist. De instellingen worden beoordeeld door de Raad. Deze moet gaan kijken naar (het staat er echt:) de prijs-kwaliteitverhouding.

Degene met een langdurig subsidieperspectief zijn twee landelijke operavoorzieningen, de symfonieorkesten, de musea met een rijkscollectie en de zogenaamde sectorinstituten. Waarom de staatssecretaris in dit geval wel man en paard kan noemen is vreemd. Maar nog vreemder is dat álle symfonieorkesten erin zitten en niet bij voorbeeld de twee grootste dansgezelschappen. Allervreemdst is de motivatie: ,,De ervaring met de laatste grote orkestenoperatie () leert dat herstructurering de vierjarige cyclus ver overschrijdt en dat veranderingen vrijwel altijd gevolgen hebben voor het bestel als geheel''.

Het argument luidt dus: iedereen met een planning die verder gaat dan vier jaar hoort thuis in deze categorie. Dus zou je denken ook Toneelgroep Amsterdam, Holland Festival, het NDT etc en kleinere gezelschappen die internationaal werken als Dood Paard. De selectie is dus willekeurig. Zonneklaar is de invloed van politici en bestuurders, die orkestentrammelant en de stevige lobby uit de regio beu zijn.

Naast subsidie voor de exploitatie van beleidsplan worden programmasubsidies verstrekt op basis van bepaalde beleidsdoelen op het gebied van educatie, culturele diversiteit, cultuur en economie. Daar kan men vrij op intekenen, en deze kunnen door andere partijen medegefinancierd worden. Anders gezegd: programmeringbudgetten, of op zijn gunstigst, een deel daarvan, kunnen/moeten verdiend worden door met andere partners op de plannen en thema's van het ministerie in te tekenen.

Daar komt nog eens bij dat de fondsen door het ministerie meer dan nu het geval is zullen worden aangestuurd op `bovensectorale prioriteiten' (denk aan thema's als educatie, culturele diversiteit) en kunnen zij de uitvoerders worden voor programmasubsidies. Voor `eigenzinnige keuzes' stelt de staatssecretaris voor dan intendanten in te huren.

Hoe verhoudt zich dat alles tot de idee dat bij de fondsen de autonomie van de expressie beter zou worden gewaarborgd? En van welk budget gaat dat? Betekent dit niet een ontzettende machtsconcentratie bij de fondsen. Wie controleert die? Een visitatiecommissie één keer in de vier jaar langskomt? Of toch ook de Raad voor Cultuur? Hoe transparant is dit systeem nu eigenlijk of wordt het een eindeloze ondoorzichtige reeks 1-2 tjes tussen fondsen en ministerie. Dit systeem zal net zo dichtgetimmerd blijken als het huidige, de timmermannen zijn alleen veranderd.

En daar ligt de kern van mijn kritiek: er wordt geschermd met een breed arrangementenpalet om de kunst uit de `verticale subsidiecarrière' te halen maar het gaat om technocratische ophokplicht. Er is nauwelijks keuzevrijheid. Een instelling kiest niet voor een arrangement, maar wordt in een vak, met zijn eigen realistische tijdspanne en met zijn eigen al dan niet beleidsmatige relevantie geplaatst. Netjes gesorteerd, soort bij soort, ik bedoel: account bij account, met ongetwijfeld een aantal belminuten per ambtenaar of fondsmedewerker.

Echter, vorm is inhoud. Dat leert de kunst en juist dat zou een ministerie van Cultuur moeten snappen. Organisatievorm is ook inhoud, en staat nooit los van de artistieke expressie. Dus als een ministerie voor de instellingen de arrangementen bepaalt dan heeft men heel veel invloed op het artistiek beleid van een instelling. Dan moet je verdomd goede inhoudelijke redenen hebben. En vooral: meer te melden hebben dan het tegengaan van een dichtgetimmerd systeem of een versnipperd veld. Een herziening van het systeem kan niet zonder de vraag te stellen. Wat betekent kunst en cultuur vandaag de dag voor de samenleving?

Zullen vaste waarden als Made in da Shade, Kassys en Onafhankelijk Toneel, en nieuwe talenten als Mighty Society en Boukje Schweigman voor vierjarige subsidies in aanmerking komen? Bij de overheden volstond het om in een aanvraag met een goede evaluatie en een schets van de artistieke contouren voor de komende vier jaar te komen. Waarom zal een fonds op een dergelijk plan niet zeggen: ,,Vaag, er is geld voor twee jaar en pas als de andere jaren realistisch ingevuld zijn kan er sprake zijn van een langere periode''.

Het unieke van de kunst ligt echter niet in het vooruitkijken, maar in het om je heen kijken – in wat nog niet is bedacht. Subsidie biedt een kunstenaar enige tijd zekerheid om het onzekere onderzoeksproces aan te gaan. Julia Rowntree van het Londense LIFT festival omschreef het onlangs heel mooi. ,,Not knowing is a great asset''. Risico durven nemen, is iets wat de kunst deze door veiligheid geobsedeerde wereld kan blijven leren. In het huidige 'solution focused' technocratische denken met answers, outcome and bulletpoints, is de vrees reëel dat dit denken het loodje legt. Deze contourennota is daar de wegbereider van. Terwijl het verschil maken zo eenvoudig zou kunnen zijn: volg de kunst.

    • Ellen Walraven