Waar zijn de pistolen, jongens

Friedrich Schillers `Don Carlos' is de eerste coproductie van de Theatercompagnie en Toneelgroep Amsterdam. ,,Het is een politiek pamflet, een relatiedrama en een thriller ineen.''

In een ziekgroen decor zit koning Philips de Tweede in pyjamajasje op een kaal bed. In zijn hand heeft hij een spiegel en op zijn schoot zit een schattig meisje met bruine krulletjes. Zijn blik schiet van spiegel naar kind en weer terug. ,,Nee! Het is toch mijn dochter. Hoe kan de natuur zo overtuigend liegen? Vind ik in elk van deze trekken niet mijzelf terug? Kind van mijn liefde, ja, dat ben je. Jij bent mijn bloed.'' Bij die laatste woorden verstijft de koning en werpt het kind van zich af.

,,Hans!'' klinkt het vanuit de zaal. Vol energie komt regisseur Theu Boermans het toneel op rennen. ,,Gooi haar wat ruwer, je hebt je net gerealiseerd dat ze net zo goed door je zoon verwekt kan zijn.'' Hans Croiset fronst de wenkbrauwen: ,,Ik kan zo'n klein meisje toch niet zomaar gooien.'' Het kind knikt ijverig, volgens haar kan dat best. In de coulissen kijken nog vijf schattige reservemeisjes met grote ogen naar de scène.

Don Carlos, geschreven door Friedrich Schiller in 1787, is de eerste coproductie van de Theatercompagnie en Toneelgroep Amsterdam, twee van de grootste theatergezelschappen van dit land. Dit jaar is het tweehonderd jaar geleden dat Schiller stierf. Voor regisseur Boermans ligt actualiteit van Don Carlos in de strijd om vrijheid. Hoeveel vrijheid kan een mens aan? Is er een strenge, vaderlijke bestuurder die de mensen vertelt wat ze moeten willen? Don Carlos gaat onderhuids over die vragen, terwijl zich aan de oppervlakte een gecompliceerd verhaal vol hofintriges afspeelt. Of, in de woorden van acteur Jacob Derwig: ,,Het is een politiek pamflet, een relatiedrama en een thriller ineen.''

Don Carlos, kroonprins van Spanje, is hevig verliefd op zijn stiefmoeder Elisabeth. Ooit was hij met haar verloofd, maar om politieke redenen is nu zijn vader, koning Philips II, haar echtgenoot. Carlos kan niet met dit onrecht omgaan en rebelleert.

De komst van zijn jeugdvriend de markies van Posa lijkt enige verlichting in de zaak te brengen. Posa belooft Carlos en de koningin bijeen te brengen mits Carlos op zijn beurt belooft te helpen met het bevrijden van `de Nederlanden'. Philips de Tweede – zoon van keizer Karel de Vijfde – is immers de Spaanse koning tegen wie het Nederlandse volk in opstand komt halverwege de zestiende eeuw. Maar dan voelt ook de koning zich aangetrokken tot deze toegewijde jongeling.

Tragische fout

Als Posa zich eenmaal in het hart van de macht bevindt, houdt zijn vriendschap met Carlos geen stand. Hij offert de prins op voor zijn idealen. Een tragische fout, zal later blijken. Boermans: ,,Het is net een Zwitsers uurwerk, zo precies grijpen de gebeurtenissen ineen.''

Boermans zegt álle lagen te willen laten zien: ,,De onderstroom van verlangen naar vrijheid, dan erboven de liefde en de verschillende soorten hartstocht en dáár weer boven het Schiller-verhaaltje met alle brieven over en weer en de bloemrijke gesprekken. Als het stuk zo wordt als ik het voor me zie, dan kan het zeker iets vertellen over deze tijd. En dan inclusief de gekrulde zinnen die onderweg drie salto's maken. Misschien gaan mensen naar huis en zeggen: `Ik zag twaalf mensen op het toneel die heel raar praatten, maar ik heb alles begrepen'.''

Boermans kon voor Don Carlos beschikken over de top van acterend Nederland en Vlaanderen, met behalve Jacob Derwig ook acteurs als Fedja van Huêt, Hadewych Minis, Frieda Pittoors, Jappe Claes, Chris Nietveld en Hans Croiset. De laatste speelt koning Philips de Tweede.

Croiset werkt voor het eerst met Theu Boermans als regisseur. Wel regisseerde hij op zijn beurt een jonge Theu bij het Publiekstheater, jaren geleden. Het valt de éminence grise van het Nederlandse toneel zichtbaar zwaar het hoge tempo van Boermans' aanwijzingen bij te benen en tegelijkertijd de eindeloze rij volzinnen in goede volgorde te houden. ,,Ik heb de rol nog niet te pakken'', bevestigt hij even later, op een bank in de kleedkamer. Hij wil niet mee lunchen met de andere acteurs, hij wil rusten. ,,Bij mij duurt het altíjd lang voor ik in een rol kom.''

Rond Croiset circuleert het hardnekkige gerucht dat de voormalig artistiek leider van Het Toneel Speelt binnenkort een nieuw gezelschap gaat oprichten. Croiset zegt zuchtend: ,,Toen ik dit jaar de VSCD Oeuvreprijs in ontvangst mocht nemen, zei ik tijdens mijn speech onder meer `Ik moet maar weer eens mijn eigen groep gaan oprichten'. Er werd gelachen, er werd geklapt en toen voegde ik eraan toe `grapje'. Maar dát hoort de pers dan niet. Ik wil helemaal geen nieuw gezelschap. Zéker nu niet. Mijn wereld bestaat nu uit Philips, Philips, Philips.''

Als de lunch voorbij is mogen Jacob Derwig en Fedja van Huêt een scène proberen. Derwig staat met gefronste wenkbrauwen. Al vier keer is hij aan zijn zin begonnen en halverwege gestrand. ,,Vergeef me, dierbare prins, wanneer ik op deze onstuimige verrukking slechts met verbijstering reageer/Zo was het niet, dat ik Don Philips' zoon verwachtte/ Dit is de onverschrokken jongeling niet, naar wie een onderdrukt en dapper volk mij stuurt: het zijn de Nederlandse provincies die U in tranen omhelzen en U nadrukkelijk om redding smeken/ Op keizer Karels glorierijke kleinzoon rust nu de laatste hoop van deze edele gewesten.''

,,Als je te snel over de zinnen heenrent'', waarschuwt Boermans vanaf de zijkant, ,,worden ze nóg ronder.''

Niet alleen Croiset en Derwig stoeien nog met hun rol. Alle spelers zoeken naar hun plek op het podium en naar een manier om de intimiteit die ze voelden in de kleine repetitieruimte naar de grote zaal te verhuizen. Het decor van Bernhard Hammer maakt het ze niet makkelijk. Het oogt kil en ontoegankelijk en vloekt met de strenge, klassiek zwarte jassen die ze dragen. Een verlaagd plafond steekt half de zaal in, tl-balken flikkeren en als de groene gordijnen opzij worden geschoven verschijnen zeven witte hokken, verspreid over het podium. Ze ogen als pashokjes, met hier en daar een kijkgat en soms alleen een deur. Doordat de hokken op pootjes staan zie je de voeten van de acteurs die zich er schuilhouden, wat een constante dreiging van luisterende oren moet opleveren.

Lichtstanden

Boermans probeert de ruimte uit door de acteurs dan weer uit het ene, dan weer uit het andere hokje te laten opkomen. Doeken van cellofaan glijden langs de spelers en de lichtstanden veranderen voortdurend. Soms zitten er verrassende effecten tussen, soms lijkt het alsof de spelers zich nog in de kleedkamer bevinden en straks, ergens in een ánder decor het zestiende-eeuwse hofdrama van Schiller gaan spelen.

Onvermoeibaar blijft Theu heen en weer rennen: ,,Waar zijn de pistolen jongens?'' Twee mensen vooraan in de zaal veren tegelijkertijd op. ,,In de kluis, Theu'', roept Marileen Bloemhard, regieassistente van de Theatercompagnie. Bert Edelenbos van Toneelgroep Amsterdam buigt zich weer over het script en telt hoeveel scènes er nog moeten. Een grappig aspect van de coproductie tussen Toneelgroep Amsterdam en de Theatercompagnie is dat Boermans twee regieassistenten tot zijn beschikking heeft.

De techniek heeft net gemeld dat het al half zeven is en dat Boermans nu moet stoppen omdat hij anders kans loopt donderdagochtend geen personeel te hebben. ,,Door die Arbowet móet ik mensen genoeg rust geven'', verklaart de technicus. De regieassistenten kijken even naar elkaar en dan naar het toneel, waar Boermans net aan Fedja van Huêt voordoet hoe hij zijn imaginaire pistool moet richten. ,,Ik ga alleen nog maar cowboyfilms maken!'' roept de regisseur enthousiast als hij terugdraaft naar een overzichtsplek in de zaal. ,,Hij is nu niet meer te stuiten'', zucht Edelenbos met een mengsel van bewondering en gelatenheid.

Frieda Pittoors komt op als kardinaal. Ze ziet eruit als een freaky paus, met lange haren en enge witte lenzen. ,,Geef me het doodste licht dat je hebt'', instrueert Boermans de mengtafel. Pittoors moet het hele stuk, dat waarschijnlijk drie en een half uur gaat duren, wachten op deze scène, maar haar impact zal hopelijk groot zijn. Boermans; ,,Frieda speelt een relikwie. In die tijd stond de koning voor de ene helft van de macht, de wereldlijke, en zij voor de andere helft, de geestelijke. Zij wordt aan het einde geroepen om Philips de verantwoordelijkheid voor het doden van zijn eigen zoon uit handen te nemen. Want in feite gaat dit stuk behalve over vrijheid ook voortdurend over verantwoordelijkheid voor je eigen leven. Daar was Schiller mee bezig, en het is nog steeds actueel.''

,,Net Spielberg, dit!'' zegt Boermans een scène later met een grijns. Hij is toegekomen aan de slotscène van het script, waarvan hij nog niet weet of hij hem erin laat; te zoet misschien. Het is het moment waarop Don Carlos afscheid neemt van zijn geliefde Elisabeth, terwijl op de achtergrond Philips en de kardinaal toekijken. Keer op keer moeten Fedja van Huêt en Hadewych Minis hartstochtelijk de lippen op elkaar drukken. ,,Ga door, ga door'', roept Boermans als ze op willen houden. ,,Ik wil veel hartstocht zien! Dat is toch uiteindelijk waar de mensen voor komen.''

Don Carlos door Toneelgroep Amsterdam en de Theatercompagnie. Regie: Theu Boermans. Première: 25/9 Stadsschouwburg Amsterdam. Aldaar t/m 1/10. Tournee t/m 18/12. Inl. (020) 531 8484 of www.toneelgroepamsterdam.nl