Voor altijd Swiebertje

Dat hij de rest van zijn leven met Swiebertje zou worden geassocieerd – ach, daar had Joop Doderer, die gisteren op 84-jarige leeftijd overleed, zich tenslotte wel mee verzoend. Tegenover die hardnekkige vereenzelviging met zijn zwerversrol stonden immers ook heel wat eerbewijzen: de ongelooflijke verkoop van een miljoen Swiebertje-dvd's, de uitverkiezing tot beste Nederlandse kinderserie aller tijden – en dat hij zelf officier in de Orde van Oranje-Nassau was, had natuurlijk ook alles met zijn glansrol te maken. ,,Ik ben altijd trots op Swiebertje geweest,'' zei hij in 2001 in deze krant.

Maar zo harmonieus waren de verhoudingen tussen de acteur en zijn rol niet altijd. Toen er in 1975 op zijn aandringen een eind aan de serie kwam, klaagde Doderer openlijk over het Swiebertje-effect. Geen mens kon meer iets anders in hem zien, geen regisseur vroeg hem meer voor een andere rol; hij kon, zei hij in interviews, het woord Swiebertje niet meer horen. Het was maar goed dat ze in Amerika en Engeland nog nooit van Swiebertje hadden gehoord – daar kreeg hij tenminste nog de kans te laten zien dat hij als acteur heus wel meer in zijn mars had. Ook serieuze rollen.

Joop Doderer kon zich niet herinneren dat hij ooit iets anders dan toneelspeler wilde worden, tegen de wil van zijn ouders voor wie het toneel een poel der zonde was. Hij speelde amateurtoneel bij de Vrijzinnig Christelijke Jeugdcentrale en deed toelatingsexamen bij de Amsterdamse toneelschool, maar werd afgewezen wegens gebrek aan talent. Daarna schreef hij beleefde sollicitatiebrieven aan allerlei grote gezelschappen uit die tijd. Op zijn achttiende, in 1939, mocht hij bij de gerenommeerde Cor van der Lugt Melsert, directeur van Het Nederlandsch Tooneel, beginnen als volontair – zonder betaling. Hij souffleerde, hielp mee met de decoropbouw, figureerde en kreeg soms zelfs een paar zinnetjes te zeggen. Om geld te verdienen, werkte hij overdag als krantenbezorger en hulpje bij de melkboer en de groenteman.

In de loop van de oorlog werden zijn rollen wat groter. Tot hij volgens een klassiek procédé zijn grote kans kreeg: wegens ziekte van Fons Rademakers moest Doderer plotseling diens rol in Madame Bovary overnemen. Na de bevrijding stapte hij samen met de veel oudere acteur Jan Musch over naar het GG-Cabaret, dat fel links-geëngageerde sketches speelde en liedjes zong. Daarna kwamen er steeds vaker komedies op zijn pad. De jonge acteur leerde razendsnel te schakelen, waardoor zijn personages op komieke wijze met zichzelf in de knoop konden raken.

In 1953 trad Joop Doderer als komisch acteur toe tot het cabaretensemble van Wim Sonneveld, waar hij zes jaar met succes bleef werken. En de leading lady van de groep, Conny Stuart, werd zijn vrouw. Dat hun huwelijk geen stand hield, is vaak toegeschreven aan het feit dat Sonneveld zich ook intensief met het privé-leven van zijn medewerkers bemoeide. Doderer kreeg het gevoel, zei hij eens, dat hij als echtgenoot steeds moest opboksen tegen de invloed die Sonneveld op Stuart had.

De eerste Swiebertje-uitzending, gebaseerd op de kinderboeken van John Uit den Boogaard, dateert uit 1955. Daarna volgden nog wat incidentele afleveringen, met steeds wisselende acteurs in de andere rollen, tot de NCRV er vanaf 1961 een echte serie van maakte – één aflevering per maand, zoals toen gebruikelijk was. Die maandelijkse frequentie is tot het eind toe onveranderd gebleven. De rol van het zwervertje in een dorpse omgeving, die ook in die beginjaren van de televisie allang een nostalgisch soort vroeger was, vormde voor Joop Doderer een speeltuin waarin hij naar hartelust kon ravotten. Het aardige kereltje uit de boeken werd een schavuit, een leeftijdloos kind in een wereldje dat verder werd bevolkt door archetypische volwassenen (huishoudster Saartje, veldwachter Bromsnor, de naamloze burgemeester en vanaf 1967 ook de rommelwinkelier Malle Pietje). In de beginjaren, toen alles nog rechtstreeks werd uitgezonden, zag men de camera's soms lichtjes schudden en was er wel eens enig onderdrukt geproest te horen – zo maakte Doderer ook de technische ploeg aan het lachen. Op de vraag waarom Swiebertje populair was, antwoordde schrijver Uit den Boogaard eens: ,,Joop Doderer.''

Intussen speelde Doderer ook in toneel- en tv-kluchten als het veelbekeken Drie is te veel en in komische radioseries als Koek en ei, waarin hij als mopperende opa de destijds vaak – met nasaal stemmetje – geïmiteerde tekst ,,de pindakaas is op'' uitsprak. Nog in 1972 schiep hij veel vrolijkheid als de vuilnisman Doolittle in een My fair lady-productie van Opera Forum. Maar toen zat het Swiebertje-effect hem al enigszins in de weg. Pas na een paar jaar in het buitenland, waar hij in 1979 als een imposante Zuid-Afrikaanse functionaris verscheen in de thriller Human factor van de grote Otto Preminger, kwam hij ook in Nederland weer voor andere rollen in aanmerking. Zoals die van een peinzend observerende rechercheur in de film Moord in extase (1984), waarmee hij de voorloper werd van Piet Römer in Baantjer.

Toen hij de zeventig al was gepasseerd, werd Doderer door regisseur Ivo van Hove zelfs nog gevraagd bij het Zuidelijk Toneel mee te spelen in Rijkemanshuis van O'Neill, Caligula van Camus en India Song van Duras. Komieken zijn de beste tragediespelers, redeneerde Van Hove terecht. Doderer was vereerd en dwong ieders respect af met zijn karaktervolle spel. Zonder opsmuk, bijna verstild, bracht hij die kleine rollen tot leven.

Het was de bedoeling dat hij in 2001 bij het grote publiek weer de lachers op zijn hand zou krijgen in de komedie Blijvend applaus. Wegens een zware hartoperatie moest hij zich echter te elfder ure terugtrekken. Hij was een broze man geworden, met een steeds dunner ringbaardje en een bril die steeds groter leek te worden naarmate zijn gezicht smaller werd. Maar hij genoot de laatste jaren nog wel van de vele loftuitingen die hem ten deel vielen. Hij kon terugkijken op heel veel mooie jaren. En op Swiebertje.

    • Henk van Gelder